Kinderalimentatie verlaagd voor gedetineerde vader met drie kinderen
ECLI:NL:GHAMS:2026:2212, Gerechtshof Amsterdam, 11-08-2026, 200.358.306/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank en bepaalt de kinderalimentatie op een lager bedrag en beperkt deze in duur vanwege het gebrek aan draagkracht aan de zijde van de vader als gevolg van zijn detentie.
Kern van de zaak
Een gedetineerde vader ging in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die kinderalimentatie van €250 per kind per maand vaststelde voor zijn drie jonge kinderen. De vader stelde onvoldoende inkomen te hebben om dit bedrag te kunnen voldoen en verzocht om afwijzing dan wel verlaging van de alimentatie.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam heeft de kinderalimentatie op een lager bedrag vastgesteld dan de rechtbank had bepaald en bovendien in duur beperkt. De doorslaggevende reden is de onvoldoende draagkracht van de vader, die verblijft in een penitentiaire inrichting en daardoor beperkte inkomsten heeft.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke alimentatiebeschikking in hoger beroep zonder principiële rechtsvragen; de uitkomst is sterk casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare individuele alimentatiezaken.
Belangrijkste punten
- 1Rechtbank had kinderalimentatie vastgesteld op €250 per kind per maand voor drie kinderen (7, 4 en 2 jaar oud)
- 2Vader verblijft in een penitentiaire inrichting, wat zijn draagkracht aanzienlijk beperkt
- 3Moeder heeft geen verweer gevoerd in hoger beroep
- 4Hof verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vader op grond van schending van artikel 21 Rv
- 5Hof heeft de alimentatie verlaagd én in duur beperkt op basis van de vastgestelde (beperkte) draagkracht
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat detentie een relevante omstandigheid is bij de vaststelling van alimentatiedraagkracht en dat alimentatieverplichtingen ook in duur kunnen worden beperkt wanneer de financiële situatie van de onderhoudsplichtige dat rechtvaardigt. De toepassing van artikel 21 Rv als grond voor niet-ontvankelijkheid wordt afgewezen.
Praktische impact
De vader hoeft een lager bedrag per kind per maand te betalen dan de €250 die de rechtbank had vastgesteld, en de verplichting is bovendien tijdelijk begrensd. Voor de moeder en kinderen betekent dit een lagere of kortere financiële bijdrage van de vader.
Onderwerp-impact
In zaken betreffende kinderalimentatie bij gedetineerde ouders biedt deze uitspraak een praktisch kader: de feitelijke inkomsten tijdens detentie worden meegewogen bij de draagkrachtberekening, wat kan leiden tot zowel verlaging als tijdelijke begrenzing van de alimentatieplicht.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Amsterdam over kinderalimentatie voor drie jonge kinderen (7, 4 en 2 jaar oud). De vader, die ten tijde van de procedure verblijft in een penitentiaire inrichting, kon zich niet verenigen met de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 27 mei 2025, waarbij de kinderalimentatie was vastgesteld op €250 per kind per maand. Hij verzocht het hof dit verzoek alsnog af te wijzen, dan wel de alimentatie te verlagen tot een lager bedrag — in zijn primaire stelling tot in totaal €50 per maand — vanwege zijn beperkte draagkracht als gevolg van zijn detentie. De moeder heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd. De centrale juridische vragen betroffen (1) de ontvankelijkheid van het alimentatieverzoek van de moeder in het licht van een gestelde schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv, en (2) de hoogte en duur van de kinderalimentatie gelet op de draagkracht van de gedetineerde vader. Het hof heeft het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vader verworpen: de enkele stelling dat de moeder artikel 21 Rv zou hebben geschonden, is onvoldoende grond om haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de alimentatie heeft het hof geoordeeld dat de draagkracht van de vader, mede vanwege zijn verblijf in detentie, onvoldoende is om de door de rechtbank vastgestelde bedragen te dragen. Het hof heeft de kinderalimentatie vervolgens op een lager bedrag bepaald dan de rechtbank had vastgesteld én de alimentatieverplichting in duur beperkt. De uitspraak is sterk casuïstisch van aard en heeft als zodanig beperkte precedentwerking, maar illustreert wel dat detentie een zwaarwegende omstandigheid vormt bij de beoordeling van alimentatiedraagkracht.