Veehouder schuldig aan dierenverwaarlozing, geen straf opgelegd
ECLI:NL:GHAMS:2026:1325, Gerechtshof Amsterdam, 12-05-2026, 23-000721-24
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Gedragingen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd. Toepassing artikel 9a Wetboek van Strafrecht.
Kern van de zaak
Een veehouder werd strafrechtelijk vervolgd wegens overtreding van dierenwelzijnsregels. De NVWA constateerde op 20 juni 2023 meerdere misstanden: te lange klauwen/hoeven bij dieren, ontbrekende schuilmogelijkheden en gevaarlijke behuizing met scherpe randen en puin. De zaak kwam in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam na een eerder vonnis.
Beslissing van de rechter
Het hof vernietigt het vonnis in eerste aanleg en verklaart de verdachte gedeeltelijk schuldig aan dierenverwaarlozing (gedachtestreepjes 1, 4, 5 en 6 bewezen), maar spreekt haar vrij van de overige onderdelen (gedachtestreepjes 2 en 3). Opvallend is dat het hof ondanks de bewezenverklaring geen straf of maatregel oplegt.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een relatief specifieke strafzaak op het gebied van dierenwelzijn zonder richtinggevende rechtsvragen; de beslissing om geen straf op te leggen ondanks bewezenverklaring is enigszins opmerkelijk maar stelt geen nieuwe rechtsregels vast.
Belangrijkste punten
- 1NVWA constateerde op 20 juni 2023 ernstige dierenwelzijnsovertredingen: te lange klauwen bij stier en te lange hoeven bij paard
- 2Runderen beschikten niet over adequate schuilmogelijkheden bij slechte weersomstandigheden
- 3Behuizing bevatte gevaarlijke elementen: scherpe golfplaten randen, uitstekende spijkers, gerotte planken en puin met glas en keramiek
- 4Gedeeltelijke vrijspraak voor twee onderdelen van de tenlastelegging (gedachtestreepjes 2 en 3)
- 5Ondanks bewezenverklaring en strafbaarheid van verdachte legt het hof geen straf of maatregel op
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat overtredingen van dierenwelzijnsregelgeving strafrechtelijk vervolgbaar zijn, maar de oplegging van geen straf of maatregel ondanks bewezenverklaring roept vragen op over de effectiviteit van strafrechtelijke handhaving van dierenwelzijnsnormen. De gedeeltelijke vrijspraak illustreert dat de bewijslast per afzonderlijk tenlastgelegd feit kritisch wordt beoordeeld.
Praktische impact
Voor de verdachte betekent de uitspraak een formele schuldvaststelling zonder concrete strafrechtelijke consequenties. Voor veehouders en andere dierhouders onderstreept dit arrest dat dierenwelzijnsovertredingen strafrechtelijk worden vervolgd, ook al leidt dit niet altijd tot een daadwerkelijke straf.
Onderwerp-impact
In de agrarische sector en dierenwelzijnshandhaving benadrukt deze zaak de rol van de NVWA bij toezicht en opsporing, en toont dat strafrechtelijke vervolging van dierhouders mogelijk is bij structurele verwaarlozing van dieren en gevaarlijke behuizing.
Samenvatting
Op 12 mei 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een hoger beroepszaak tegen een veehouder die werd verdacht van meerdere overtredingen van dierenwelzijnsregels. De aanleiding was een inspectie door de NVWA op 20 juni 2023, waarbij verbalisanten ernstige misstanden constateerden op verschillende locaties van het bedrijf. Zo had een stier onverzorgde, naar binnen gegroeide klauwen en een paard te lange hoeven door het uitblijven van tijdige bekapping. Runderen op de weide hadden geen toegang tot schuilmogelijkheden bij slechte weersomstandigheden. In de uitloopstallen waren gevaarlijke omstandigheden aangetroffen: scherpe randen van golfplaten, omgebogen of uitstekende plaatdelen, gerotte planken met uitstekende spijkers en schroeven, en op meerdere locaties puin met stukken glas, hard plastic, keramiek en steen waarmee dieren zich konden verwonden. Het hof moest beoordelen of de tenlastegelegde feiten bewezen konden worden verklaard. Na bestudering van het procesdossier verklaarde het hof vier van de zes tenlastegelegde gedachtestreepjes bewezen: het ontbreken van tijdige bekapping, het ontbreken van schuilmogelijkheden, de gevaarlijke behuizing met scherpe randen en uitstekende spijkers, en de aanwezigheid van gevaarlijk puin. Voor de overige twee onderdelen (gedachtestreepjes 2 en 3) achtte het hof de bewijsvoering onvoldoende, waarvoor de verdachte werd vrijgesproken. Opvallend is de strafbeslissing: hoewel het hof de verdachte schuldig verklaarde en de feiten strafbaar achtte, werd geen straf of maatregel opgelegd. De verdachte had in haar verweer verklaard altijd de beste zorg voor de dieren te hebben gewild. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. De zaak illustreert de strafrechtelijke handhaving van dierenwelzijnsnormen via de NVWA, maar de keuze om geen sanctie op te leggen roept vragen op over de praktische afschrikking van dergelijke overtredingen.