CRvB: WGA-loonaanvullingsuitkering arbeidsongeschiktheid herzien naar 80,58%
ECLI:NL:CRVB:2026:973, Centrale Raad van Beroep, 16-07-2026, 24/1564 WIA
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Omzetting WIA-uitkering naar WGA-vervolguitkering. Bevestiging uitspraak in hoger beroep. De Raad volgt de rechtbank in zijn oordeel dat het Uwv op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA moet beoordelen of appellant gedurende een jaar meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend, op basis van de feitelijke verdiensten van appellant zoals deze bekend zijn bij de Belastingdienst. De Raad draagt het UWV op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Kern van de zaak
Een voormalig manager finance control meldde zich in 2017 ziek en ontving een WGA-uitkering. Na wisselende arbeidsperiodes en toegenomen klachten per 1 februari 2022 werd zijn WGA-loonaanvullingsuitkering door het UWV omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Appellant bestreed dit besluit via bezwaar en beroep.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep uitspraak gedaan in een geschil over de aard en omvang van de WIA-uitkering van appellant. Het UWV had bij besluit op bezwaar al de WGA-loonaanvullingsuitkering hersteld op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80,58%; de uitkomst van de hogerberoepsprocedure betreft de beoordeling van dit herzieningsbesluit. De doorslaggevende reden berust op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waaruit een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage volgde dan het UWV aanvankelijk had vastgesteld.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk-casuïstische uitspraak over de herberekening van een individuele WIA-uitkering met toepassing van bestaande jurisprudentie; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de uitspraak heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Appellant was werkzaam als manager finance control en meldde zich op 18 januari 2017 ziek; de mate van arbeidsongeschiktheid is in de loop der jaren meermaals herzien.
- 2Het UWV zette per 1 mei 2022 de WGA-loonaanvullingsuitkering om in een WGA-vervolguitkering op basis van 65-80% arbeidsongeschiktheid, waartegen bezwaar werd gemaakt.
- 3Bij besluit op bezwaar van 17 mei 2023 werd de WGA-loonaanvullingsuitkering hersteld met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80,58%, gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
- 4Appellant werkte tussentijds in twee dienstverbanden (40 uur per week) en ontving aansluitend een WW-uitkering tot 1 mei 2024, wat de herberekening van de uitkeringsgrondslag beïnvloedde.
- 5De uitspraak verwijst naar vaste jurisprudentie van de Raad (o.a. ECLI:NL:CRVB:2019:211 en ECLI:NL:CRVB:2022:2349) over de systematiek van WGA-uitkeringen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de WIA-systematiek rondom de overgang van WGA-loonaanvulling naar WGA-vervolg en de rol van hernieuwd verzekeringsgeneeskundig onderzoek bij gewijzigde gezondheidssituaties. De verwijzing naar vaste CRvB-jurisprudentie onderstreept een bestendige lijn in de beoordeling van arbeidsongeschiktheidspercentages.
Praktische impact
Voor appellant betekent de vaststelling van 80,58% arbeidsongeschiktheid een hogere uitkeringsgrondslag dan de aanvankelijke omzetting naar WGA-vervolguitkering zou hebben opgeleverd. Voor het UWV bevestigt de zaak de noodzaak van zorgvuldig (her)onderzoek bij melding van toegenomen klachten.
Onderwerp-impact
In het socialezekerheidsrecht verduidelijkt deze zaak de grenzen tussen WGA-loonaanvulling en WGA-vervolg bij wisselende arbeidsparticipatie en verslechterende gezondheid, een situatie die in de praktijk regelmatig voorkomt bij langdurig arbeidsongeschikten.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreft een hoger beroepsprocedure over de uitkeringsrechten van een voormalig manager finance control die zich in januari 2017 ziek meldde en sindsdien een WGA-uitkering ontvangt op grond van de Wet WIA. Na een loongerelateerde periode werd hem per 16 januari 2021 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Appellant werkte vervolgens twee periodes fulltime als respectievelijk senior medewerker backoffice/finance en financieel directeur, maar meldde per 1 februari 2022 toegenomen klachten. Het UWV reageerde hierop door de WGA-loonaanvullingsuitkering per 1 mei 2022 om te zetten in een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%. Appellant maakte bezwaar, waarna het UWV bij besluit van 17 mei 2023 het oorspronkelijke besluit herriep en alsnog een WGA-loonaanvullingsuitkering toekende met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80,58%, gebaseerd op nader verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De juridische kern van het geschil betreft de vraag of het UWV terecht de uitkeringsvorm had gewijzigd en het arbeidsongeschiktheidspercentage correct had vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep toetst het herzieningsbesluit en betrekt daarbij vaste jurisprudentie over de WGA-systematiek. Het verschil tussen loonaanvulling en vervolguitkering is financieel significant: de loonaanvulling is afhankelijk van het maatmaninkomen, terwijl de vervolguitkering lager uitvalt en gebaseerd is op het minimumloon. De uitspraak heeft beperkte bredere precedentwerking nu zij de bestaande rechtslijn volgt, maar is voor betrokkene van groot financieel belang. De zaak illustreert de complexiteit van WIA-trajecten bij werknemers die na ziekte gedeeltelijk re-integreren maar daarna opnieuw uitvallen met toegenomen klachten.