JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:966Laag22/100

Beroep WUV-aanvraag oorlogsslachtoffer ongegrond verklaard

ECLI:NL:CRVB:2026:966, Centrale Raad van Beroep, 23-07-2026, 25/1636 WUV

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 23 juli 2026Publicatie: 24 juli 2026
Procedure:Eerste en enige aanleg
Zaaknummer:25/1636 WUV
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Overheid
Zorg
Wuv
Oorlogsslachtoffers
Gelijkstelling Vervolgde
Causaliteit
Tweede Generatie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Afwijzing aanvraag toekenningen op grond van de Wuv. Geen gelijkstelling met vervolgde. De gezondheidsklachten van appellant houden redelijkerwijs geen verband met het overlijden van zijn vader.

Kern van de zaak

Een man geboren in 1944 diende een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV), stellende dat zijn gezondheidsklachten verband houden met het overlijden van zijn vader in een strafkamp in 1944. Verweerder (de uitvoeringsinstantie) wees de aanvraag af omdat geen causaal verband kon worden vastgesteld tussen de klachten van appellant en het oorlogsoverlijden van zijn vader.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de psychische en lichamelijke klachten van appellant redelijkerwijs geen verband houden met het door vervolging omkomen van zijn vader, waardoor gelijkstelling met een vervolgde op grond van artikel 3 lid 2 WUV niet aan de orde is.

22van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele toepassing van vaste jurisprudentie zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak bevestigt bestaand beleid en eerdere uitspraken van de Raad.

Belangrijkste punten

  • 1Appellant heeft zelf geen vervolging in de zin van de WUV ondergaan; alleen gelijkstelling was mogelijk.
  • 2Artikel 3 lid 2 WUV biedt verweerder een discretionaire bevoegdheid om personen gelijk te stellen met vervolgden bij klaarblijkelijke hardheid.
  • 3Het door vervolging omkomen van een ouder kan grond zijn voor gelijkstelling, maar vereist ook een causaal verband met aanwezige klachten.
  • 4Verweerder heeft gemotiveerd vastgesteld dat de klachten van appellant redelijkerwijs geen verband houden met het overlijden van zijn vader.
  • 5De Raad beoordeelt het bestreden besluit terughoudend gezien de discretionaire bevoegdheid van verweerder.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat gelijkstelling op grond van artikel 3 lid 2 WUV niet alleen vereist dat een ouder door vervolging is omgekomen, maar ook dat er een redelijk causaal verband bestaat tussen dat verlies en de klachten van de aanvrager. De discretionaire bevoegdheid van verweerder blijft intact.

Praktische impact

Voor appellant betekent de uitspraak dat hij geen aanspraak kan maken op uitkeringen of vergoedingen op grond van de WUV. Andere nabestaanden van oorlogsslachtoffers worden hiermee nogmaals gewezen op het causaliteitsvereiste.

Onderwerp-impact

Binnen het domein van socialezekerheidsrecht en uitkeringen aan oorlogsslachtoffers bevestigt deze uitspraak de grenzen van de WUV-toepassing voor de tweede generatie oorlogsgetroffenen.

Samenvatting

Appellant, geboren in 1944, diende in oktober 2024 een aanvraag in bij de uitvoeringsinstantie op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat zijn psychische en lichamelijke gezondheidsklachten het gevolg zijn van het overlijden van zijn vader in een strafkamp in 1944. Omdat appellant zelf geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de WUV, onderzocht verweerder of hij op grond van artikel 3 lid 2 WUV gelijkgesteld kon worden met een vervolgde. Dit artikel biedt de mogelijkheid tot gelijkstelling wanneer iemand in oorlogsomstandigheden heeft verkeerd die overeenkomst vertonen met vervolging, en niet-toepassing van de wet een klaarblijkelijke hardheid zou opleveren. Het door vervolging omkomen van een ouder is een omstandigheid die daarvoor in aanmerking kan komen. Verweerder wees de aanvraag echter af, omdat de klachten van appellant redelijkerwijs geen verband houden met het overlijden van zijn vader. Na een ongegrond bezwaar stapte appellant naar de rechter. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep niet slaagt. De Raad stelt vast dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid door gelijkstelling te weigeren, nu het causale verband tussen de klachten en de oorlogsomstandigheid niet is aangetoond. De uitspraak sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Raad, waaronder de uitspraak van 22 april 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:905). Het beroep wordt ongegrond verklaard en appellant ontvangt geen proceskostenvergoeding of teruggave van griffierecht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen