Beroepen WUBO-aanvragen voormalig Indië-slachtoffer ongegrond
ECLI:NL:CRVB:2026:965, Centrale Raad van Beroep, 23-07-2026, 25/2427 WUBO
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo, Wuv en/of de AOR (de oorlogswetten). Volgens de Raad is er geen sprake van bewijs van de voor deze wetten vereiste directe betrokkenheid. Een eigen verklaring dient ondersteund te zijn door objectieve gegevens, en deze kunnen niet slechts zien op de algemene situatie ter plekke. Ongeboren vrucht kan tevens niet als betrokkene in de zin van de oorlogswetten worden aangemerkt.
Kern van de zaak
Een in 1943 geboren man verzoekt herhaaldelijk om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo, gebaseerd op zijn geboorte in een schuilkelder tijdens een bombardement in voormalig Nederlands-Indië en het meemaken van huiszoekingen. Eerdere aanvragen uit 1989 en 2000 werden al afgewezen. De appellant stelt dat zijn gezondheidsklachten het gevolg zijn van dit oorlogsgeweld.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond. De doorslaggevende reden is dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, en eerdere afwijzingen zijn inmiddels onherroepelijk geworden.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele zaak met toepassing van vaste jurisprudentie omtrent de Wubo zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met eerdere uitspraken en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Eerste aanvraag uit 1989 afgewezen wegens niet voldoen aan erkenningsvoorwaarden als burgeroorlogsslachtoffer; geen rechtsmiddelen aangewend.
- 2Tweede aanvraag uit 2000 afgewezen omdat niet is gebleken van oorlogsgeweld in de zin van de Wubo; eerder beroep al ongegrond verklaard.
- 3Appellant baseerde aanvraag op geboorte in schuilkelder tijdens bombardement en meemaken van huiszoekingen in voormalig Nederlands-Indië.
- 4De Centrale Raad van Beroep verklaart de onderhavige beroepen eveneens ongegrond.
- 5Geen proceskostenvergoeding of teruggave griffierecht toegekend aan appellant.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat geboorteomstandigheden en algemene oorlogsomstandigheden zonder direct individueel oorlogsgeweld onvoldoende grondslag bieden voor erkenning onder de Wubo. Herhaalde aanvragen zonder nieuwe feiten of omstandigheden stuiten op de onherroepelijkheid van eerdere besluiten.
Praktische impact
Appellant ontvangt geen uitkering of erkenning als burgeroorlogsslachtoffer en krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. Dit sluit verdere aanspraken op grond van de Wubo in dit kader materieel af.
Onderwerp-impact
Voor overlevenden en nabestaanden van de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië bevestigt deze uitspraak dat geboorte tijdens bombardementen en indirect oorlogsleed zonder individueel aanwijsbaar geweld niet kwalificeren voor Wubo-uitkeringen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een man geboren in 1943 in voormalig Nederlands-Indië, die meerdere malen heeft geprobeerd erkenning te verkrijgen als burgeroorlogsslachtoffer en aanspraken geldend te maken op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Zijn eerste aanvraag dateert uit januari 1989 en werd in mei 1990 afgewezen omdat hij niet voldeed aan de erkenningsvoorwaarden; hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Een tweede aanvraag uit mei 2000 was gebaseerd op zijn geboorte in een schuilkelder tijdens een bombardement in voormalig Nederlands-Indië, het meemaken van huiszoekingen en de slechte gezondheids- en medische situatie gedurende de oorlogsjaren. Deze aanvraag werd op 31 januari 2001 afgewezen omdat niet was gebleken dat appellant was getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard en het daaropvolgende beroep werd door de Centrale Raad van Beroep ongegrond verklaard. In de onderhavige procedure heeft de Centrale Raad van Beroep opnieuw de beroepen ongegrond verklaard. De centrale juridische vraag is of de door appellant beschreven omstandigheden — geboorte in een schuilkelder tijdens een bombardement en het meemaken van huiszoekingen — kwalificeren als oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wubo. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend, in lijn met vaste jurisprudentie. Algemene oorlogsomstandigheden en indirecte gevolgen van oorlog zonder individueel aanwijsbaar geweld zijn onvoldoende voor erkenning als burgeroorlogsslachtoffer. De eerdere afwijzende besluiten zijn onherroepelijk geworden, hetgeen de positie van appellant verder verzwaart. Proceskosten noch griffierecht worden vergoed. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking, maar bevestigt de strikte toepassing van de Wubo-criteria.