Duofiets voor verstandelijk beperkt meisje terecht geweigerd
ECLI:NL:CRVB:2026:949, Centrale Raad van Beroep, 16-07-2026, 25/560 WMO15
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing maatwerkvoorziening Wmo 2015 in de vorm van een duofiets. Het college heeft zorgvuldig onderzoek verricht en kon terecht afzien van aanvullend medisch onderzoek. Appellante kan, met gebruikmaking van haar eigen mogelijkheden en de hulp van haar vader en familie in redelijke mate participeren en wezenlijke sociale contacten onderhouden, zodat geen aanspraak bestaat op een duofiets als maatwerkvoorziening.
Kern van de zaak
Een meisje (geboren 2010) met een verstandelijke beperking en psychische problematiek vroeg via de Wmo 2015 een duofiets aan als maatwerkvoorziening. Het college weigerde de aanvraag omdat zij met hulp van vader en familie al haar relevante bestemmingen kan bereiken en voldoende maatschappelijk kan participeren. Zij ging in beroep en hoger beroep tegen deze weigering.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat appellante zonder duofiets – lopend of per auto met hulp van familieleden – alle relevante bestemmingen kan bereiken en wezenlijk kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, waardoor geen compensatieplicht ontstaat onder de Wmo 2015.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande rechtspraak over de reikwijdte van de Wmo-compensatieplicht en stelt geen nieuwe rechtsregels. De betekenis is voornamelijk bevestigend en casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Appellante heeft een Wlz-indicatie en vroeg aanvullend een duofiets aan als Wmo-maatwerkvoorziening voor vervoer en recreatie.
- 2Het college stelde vast dat appellante met gebruikelijke hulp van vader en familie alle voor haar relevante bestemmingen kan bereiken.
- 3Recreatieve doeleinden kunnen onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 vallen, maar alleen als zij bijdragen aan maatschappelijke participatie.
- 4De rechtbank oordeelde dat het college het onderzoek voldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd en de hulpvraag adequaat heeft beoordeeld.
- 5De Centrale Raad van Beroep laat dit oordeel in stand: er is sprake van aanvaardbare maatschappelijke participatie zonder duofiets.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat recreatieve voorzieningen alleen onder de Wmo-compensatieplicht vallen als zij een aantoonbare bijdrage leveren aan maatschappelijke participatie die niet op andere wijze kan worden ingevuld. De aanwezigheid van mantelzorg en gebruikelijke hulp kan een maatwerkvoorziening uitsluiten.
Praktische impact
Voor appellante betekent dit dat zij geen duofiets vergoed krijgt en voor haar vervoer en recreatieve activiteiten afhankelijk blijft van de hulp van vader en andere familieleden. Gemeenten krijgen bevestiging dat zij aanvragen voor recreatieve voorzieningen mogen afwijzen als bestaande informele ondersteuning toereikend is.
Onderwerp-impact
Voor de zorgsector verduidelijkt deze uitspraak de grens tussen wat de Wmo 2015 moet compenseren en wat via mantelzorg en gebruikelijke hulp kan worden opgevangen, met name bij combinaties van vervoers- en recreatiebehoeften bij mensen met een beperking.
Samenvatting
Een meisje geboren in 2010, met een verstandelijke beperking en psychische problematiek en een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), vroeg via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een duofiets aan als maatwerkvoorziening. De aanvraag beoogde zowel een vervoersfunctie als recreatieve doeleinden, met name gezamenlijke fietstochten met haar vader in de natuur. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af, omdat appellante met behulp van haar vader en andere familieleden – lopend of per auto – alle voor haar relevante bestemmingen kan bereiken en voldoende wezenlijke sociale contacten onderhoudt. Er was volgens het college sprake van aanvaardbare maatschappelijke participatie zonder de gevraagde voorziening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college de hulpvraag zorgvuldig had onderzocht. Ten aanzien van de recreatieve dimensie erkende de rechtbank dat recreatieve doeleinden onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 kunnen vallen wanneer zij bijdragen aan participatie in de samenleving, maar concludeerde dat in dit geval niet was aangetoond dat de duofiets noodzakelijk was om aan die norm te voldoen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep. De kern van de beoordeling is gelegen in artikel 2.3.5, derde lid Wmo 2015: een maatwerkvoorziening is alleen vereist als de cliënt zijn beperkingen niet kan compenseren op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, of met mantelzorg. Nu de aanwezige informele ondersteuning toereikend werd geacht, bestond geen verplichting voor het college om de duofiets te verstrekken. De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat gemeenten recreatieve voorzieningen mogen weigeren wanneer de bestaande informele zorgstructuur voldoende compensatie biedt voor de ervaren beperkingen in participatie.