CRvB vernietigt pgb-intrekking Wlz over deel 2017
ECLI:NL:CRVB:2026:932, Centrale Raad van Beroep, 16-07-2026, 23/2039 WLZ
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Intrekking pgb voor het jaar 2017. Hoger beroep slaagt. Het zorgkantoor was sinds 2016 op de hoogte van het faillissement van appellant. De Raad acht het redelijk dat de verlening van het pgb over 2017 wordt ingetrokken per 28 april 2017 (de datum met ingang waarvan de uitbetaling van het pgb uiteindelijk is opgeschort).
Kern van de zaak
Een Wlz-geïndiceerde man (geboren 1959) ontving pgb's voor 2015-2017 en kocht zorg in via een B.V. waarvan hij indirect bestuurder was. Het zorgkantoor trok het pgb met terugwerkende kracht in vanaf 1 januari 2015 na onderzoek naar onregelmatigheden in de besteding. Appellant ging in bezwaar en beroep tegen deze intrekking en terugvordering.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de pgb-verlening over het tijdvak 1 januari 2017 tot 28 april 2017 is ingetrokken en het over dat tijdvak betaalde pgb is teruggevorderd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar het zorgkantoor wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 3.736,-.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele pgb-zaak met een relatief beperkte omvang; de uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over Wlz-pgb-intrekkingen en stelt geen nieuwe rechtsnormen vast.
Belangrijkste punten
- 1Pgb-intrekking over tijdvak 1 januari 2017 tot 28 april 2017 is door de CRvB onterecht bevonden en vernietigd
- 2Appellant kocht zorg in via een B.V. waarvan hij via een stichting indirect bestuurder was, hetgeen aanleiding gaf tot onderzoek
- 3Het zorgkantoor had signalen ontvangen dat zorgverleners niet of slecht werden uitbetaald vanuit de ingeschakelde B.V.
- 4Appellant was persoonlijk failliet verklaard op 13 oktober 2015, wat de constructie rondom de zorginkoop extra complex maakte
- 5Schadevergoedingsverzoek afgewezen ondanks gegrond beroep; proceskosten wel toegewezen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een pgb-intrekking over een specifiek tijdvak een deugdelijke grondslag vereist die per periode onderbouwd moet worden, en dat niet automatisch over alle jaren kan worden teruggevorderd. Dit bevestigt het belang van zorgvuldige afbakening bij Wlz-pgb-intrekkingen.
Praktische impact
Het zorgkantoor dient de intrekking en terugvordering over het tijdvak 1 januari tot 28 april 2017 ongedaan te maken en moet € 3.736,- aan proceskosten vergoeden aan appellant; de intrekkingen over 2015 en 2016 blijven vermoedelijk in stand.
Onderwerp-impact
Voor Wlz-pgb-houders die zorg inkopen via rechtspersonen waaraan zij zelf zijn verbonden, benadrukt deze uitspraak dat zorgkantoren per tijdvak afzonderlijk moeten onderbouwen waarom intrekking gerechtvaardigd is.
Samenvatting
Deze zaak draait om een Wlz-geïndiceerde man die voor de jaren 2015, 2016 en 2017 een persoonsgebonden budget (pgb) ontving van het zorgkantoor. Hij kocht zijn zorg in via een besloten vennootschap waarvan een stichting — met hemzelf als enig bestuurder — de enig aandeelhouder en bestuurder was. In 2017 startte het zorgkantoor een onderzoek naar de besteding van het pgb, nadat signalen binnenkwamen dat zorgverleners die via de B.V. werden ingezet, niet of nauwelijks werden uitbetaald. Ook bestonden er twijfels over de gehanteerde constructie. Het zorgkantoor schortte betalingen op en trok uiteindelijk het pgb in met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015, gevolgd door terugvordering van reeds betaalde bedragen. De juridische kern van het geschil betrof de vraag of de intrekking en terugvordering over het tijdvak 1 januari 2017 tot 28 april 2017 rechtmatig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelt van niet. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en terugvordering over dat specifieke tijdvak. De Raad oordeelt daarmee dat het zorgkantoor onvoldoende grondslag had om ook over dit tijdvak in te trekken en terug te vorderen. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wijst de Raad af, maar het zorgkantoor wordt wel veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op € 3.736,-. De uitspraak bevestigt dat zorgkantoren bij pgb-intrekkingen per tijdvak een zelfstandige en deugdelijke motivering moeten leveren, en dat een algehele intrekking vanaf een vroeg moment niet automatisch alle latere periodes dekt.