JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:911Laag22/100

Hoger beroep WMO-pgb niet-ontvankelijk wegens ontbrekend belang

ECLI:NL:CRVB:2026:911, Centrale Raad van Beroep, 02-07-2026, 24/2238 WMO15

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 2 juli 2026Publicatie: 9 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:24/2238 WMO15
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Overheid
Zorg
Niet Ontvankelijkheid
Procesbelang
Wmo 2015
Persoonsgebonden Budget
Ggz

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant heeft geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.

Kern van de zaak

Appellant ontving een WMO-pgb voor GGZ-ondersteuning, maar het college beëindigde dit per 1 januari 2022 wegens ontbrekende zorgovereenkomst en onduidelijkheid over doelmatige besteding. Na ongegrondverklaring van bezwaar en beroep stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen (proces)belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Anders dan de rechtbank oordeelde, is de enkele mogelijkheid van een toekomstige pgb-aanvraag onvoldoende om procesbelang aan te nemen.

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is casuïstisch van aard en ziet op een procedurele niet-ontvankelijkheid in een individuele WMO-pgb-zaak; de Raad verwijst naar bestaande jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsregels.

Belangrijkste punten

  • 1Het college beëindigde het pgb per 1 januari 2022 wegens het ontbreken van een goedgekeurde zorgovereenkomst en het niet aantonen van doelmatig gebruik.
  • 2De rechtbank had procesbelang aangenomen op grond van de mogelijkheid dat appellant in de toekomst opnieuw pgb zou aanvragen, maar de Raad verwerpt dit criterium als onvoldoende.
  • 3Appellant heeft niet betwist dat hij vanaf 1 januari 2022 feitelijk geen gebruik meer maakte van het pgb.
  • 4Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende concreet procesbelang.
  • 5Er is geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een abstracte of hypothetische toekomstige aanvraag onvoldoende is om procesbelang te vestigen in WMO-pgb-zaken; procesbelang moet voldoende concreet en actueel zijn.

Praktische impact

Appellant krijgt geen inhoudelijke beoordeling van de beëindiging van zijn pgb en draagt zelf de proceskosten; bij een eventuele nieuwe pgb-aanvraag zal hij opnieuw aan alle voorwaarden moeten voldoen.

Onderwerp-impact

Voor WMO-cliënten die hoger beroep instellen nadat zij feitelijk geen gebruik meer maken van de voorziening, is het risico van niet-ontvankelijkheid wegens ontbrekend procesbelang reëel.

Samenvatting

Appellant, geboren in 1980 en lijdend aan psychische en lichamelijke aandoeningen, ontving op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor GGZ-ondersteuning in de periode juni 2021 tot juni 2023. Het college van B&W beëindigde dit pgb per 1 januari 2022 omdat appellant geen inzicht gaf in de besteding ervan, geen geldige zorgovereenkomst had ingediend en feitelijk geen gebruik meer maakte van het budget. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond, maar nam daarbij wel procesbelang aan op grond van de mogelijkheid dat appellant in de toekomst opnieuw een pgb zou aanvragen. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep staat centraal de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft om een inhoudelijke beoordeling van de beëindiging te verkrijgen. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Een louter hypothetische of toekomstige aanvraag is naar vaste jurisprudentie van de Raad onvoldoende om procesbelang te vestigen. Nu appellant niet betwist heeft dat hij vanaf 1 januari 2022 feitelijk geen gebruik meer heeft gemaakt van het pgb en er geen andere concrete omstandigheid is die een actueel belang bij de beoordeling rechtvaardigt, ontbreekt het voor ontvankelijkheid vereiste procesbelang. Het hoger beroep wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard, zonder dat de Raad toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de pgb-beëindiging. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. De uitspraak onderstreept dat procesbelang in pgb-geschillen actueel en concreet moet zijn, en dat abstracte toekomstige scenario's die drempel niet halen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 1 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen