Herzieningsverzoek ANW niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:CRVB:2026:878, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2026, 25/2450 ANW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De Raad verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Kern van de zaak
Verzoekster vroeg de Centrale Raad van Beroep om herziening van een uitspraak uit juli 2024 in een ANW-zaak. De Raad stuurde twee keer een betalingsverzoek voor griffierecht van €143,-, maar verzoekster betaalde niet. De aangetekende herinneringsbrief werd niet afgehaald en retour gezonden.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om herziening is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat het verschuldigde griffierecht van €143,- ondanks twee aanmaningen niet tijdig is betaald, en niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige procedurele afdoening zonder inhoudelijke rechtsvraag en zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de toepassing van vaste jurisprudentie over griffierecht en niet-ontvankelijkheid is standaard.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 8:119 lid 2 jo. artikel 8:41 lid 1 Awb is griffierecht verschuldigd bij een verzoek om herziening.
- 2Verzoekster ontving twee betalingsherinneringen (12 december 2025 en 12 januari 2026), maar betaalde het griffierecht van €143,- niet.
- 3De aangetekende herinneringsbrief werd niet afgehaald en keerde op 20 april 2026 retour; dit risico komt voor rekening van verzoekster.
- 4Nu de betaaltermijn is verstreken zonder betaling, is niet aannemelijk dat verzoekster niet in verzuim was.
- 5Zonder inhoudelijke behandeling werd het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard; geen proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat het niet afhalen van aangetekende post het verzuim niet opheft en dat niet-betaling van griffierecht bij herzieningsverzoeken leidt tot niet-ontvankelijkheid. Er wordt geen nieuw recht gesteld.
Praktische impact
Verzoekster verliest de mogelijkheid tot inhoudelijke herziening van de ANW-uitspraak uit 2024 en kan haar zaak niet opnieuw laten beoordelen. Partijen in vergelijkbare procedures worden gewaarschuwd dat aangetekende post tijdig moet worden afgehaald om verzuim te voorkomen.
Onderwerp-impact
In ANW-zaken (nabestaandenuitkeringen) onderstreept deze uitspraak dat procedurevereisten zoals griffierecht strikt worden gehandhaafd, ook bij socialezekerheidsgerechtigden die mogelijk kwetsbaar zijn.
Samenvatting
In deze zaak vroeg verzoekster de Centrale Raad van Beroep om herziening van een eerder gedane uitspraak van 25 juli 2024 in een procedure op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Op grond van artikel 8:119 lid 2 jo. artikel 8:41 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bij een herzieningsverzoek griffierecht verschuldigd. De Raad stuurde verzoekster op 12 december 2025 een brief met het verzoek om binnen 28 dagen een griffierecht van €143,- te betalen. Omdat betaling uitbleef, werd op 12 januari 2026 een aangetekende herinneringsbrief verzonden, met de nadrukkelijke waarschuwing dat het verzoek bij niet-tijdige betaling niet inhoudelijk behandeld zou worden. Deze aangetekende brief werd echter niet afgehaald en keerde op 20 april 2026 retour bij de Raad. De centrale juridische vraag was of verzoekster ondanks het niet-betalen van griffierecht ontvangen kon worden in haar herzieningsverzoek, dan wel of haar verzuim verschoonbaar was. De Raad oordeelde dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden vastgesteld dat verzoekster niet in verzuim is geweest. Het niet afhalen van aangetekende post komt voor rekening en risico van de geadresseerde. Nu de betalingstermijn was verstreken en het griffierecht niet was voldaan, verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzoek om herziening kennelijk niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege. De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling en past volledig binnen de gevestigde praktijk rondom griffierechtverplichtingen in het bestuursrecht. De impact is daarmee beperkt tot de individuele verzoekster, die hierdoor definitief haar kans verliest op herziening van de ANW-uitspraak.