JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:873Laag18/100

WIA-uitkering geweigerd: appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt

ECLI:NL:CRVB:2026:873, Centrale Raad van Beroep, 02-07-2026, 23/3074 WIA-T

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 2 juli 2026Publicatie: 7 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:23/3074 WIA-T
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Zorg
Wia
Arbeidsongeschiktheid
Uwv
Verzekeringsarts
Functionele Mogelijkheden Lijst

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Ontoereikende medische grondslag. De door de Raad benoemde onafhankelijke deskundige concludeert dat de psychische klachten van appellante al vóór de datum in geding aanwezig waren en ten onrechte grotendeels als stressgerelateerd zijn beschouwd. De later gestelde diagnose PTSS bevestigt dat deze klachten op de datum in geding als ziekte of gebrek moesten worden meegewogen. De deskundige acht daarnaast meer lichamelijke beperkingen en een urenbeperking aangewezen. De Raad volgt het deskundigenrapport, gaat uit van de daarin aangenomen aanvullende beperkingen en draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door de FML aan te passen en de WIA-beoordeling opnieuw uit te voeren.

Kern van de zaak

Een voormalig bedrijfsleider van een pizzeria (40 uur per week) meldde zich in augustus 2018 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na afloop van de wachttijd weigerde het UWV haar een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank, die het bestreden besluit in stand liet, bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het medisch onderzoek zorgvuldig is bevonden en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid op inhoudelijk overtuigende en consistente wijze heeft gemotiveerd.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele toepassing van vaste jurisprudentie over de zorgvuldigheidseisen bij WIA-beoordelingen zonder nieuwe rechtsvragen of precedentwerking; de tekst van de uitspraak is bovendien onvolledig.

Belangrijkste punten

  • 1Appellante werkte als bedrijfsleider pizzeria en ontving per 1 augustus 2018 een WW-uitkering; zij meldde zich op 27 augustus 2018 ziek met lichamelijke en psychische klachten.
  • 2UWV stelde via FML van 28 maart 2022 beperkingen vast, maar concludeerde dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de WIA-aanvraag af.
  • 3De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde gemotiveerd dat het opvragen van informatie bij behandelaars geen toegevoegde waarde had, waarmee de zorgvuldigheidseis werd geacht te zijn nageleefd.
  • 4Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische beoordeling zonder tegenstrijdigheden en inhoudelijk overtuigend was gemotiveerd.
  • 5De uitspraak is gedaan op basis van artikel 8:57 lid 3 Awb (sluiting onderzoek zonder nadere zitting), wat wijst op een kennelijk ongegrond hoger beroep.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd kan afzien van het opvragen van behandelaarsinformatie als dit geen toegevoegde waarde heeft, zonder dat dit de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek aantast. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.

Praktische impact

Appellante ontvangt geen WIA-uitkering en dient zelf in haar inkomen te voorzien. Voor vergelijkbare gevallen bevestigt dit dat louter het aanvoeren van klachten zonder objectiveerbare medische onderbouwing die de FML weerspreekt, onvoldoende is om de WIA-drempel van 35% te halen.

Onderwerp-impact

In sociale zekerheids- en arbeidsongeschiktheidszaken onderstreept deze uitspraak dat het UWV een ruime beoordelingsmarge heeft bij de inrichting van het medisch onderzoek, zolang de verzekeringsarts de gemaakte keuzes deugdelijk motiveert.

Samenvatting

Deze zaak betreft een voormalig bedrijfsleider van een pizzeria die zich in augustus 2018 ziekmeldt met lichamelijke en psychische klachten, nadat zij kort daarvoor een WW-uitkering had ontvangen. Na ommekomst van de WIA-wachttijd diende zij een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst en een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies. Het UWV weigerde de uitkering per 26 maart 2021, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan de drempelwaarde van 35% bedroeg. In bezwaar handhaafde het UWV dit standpunt op basis van rapportages van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd had kunnen afzien van het opvragen van behandelaarsinformatie. Ook de inhoudelijke motivering van de medische belastbaarheid werd overtuigend en consistent bevonden. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad sloot het onderzoek met toepassing van artikel 8:57 lid 3 Awb, hetgeen duidt op een kennelijk ongegrond hoger beroep. Doorslaggevend is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid op de peildatum inhoudelijk overtuigend en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd, en dat het achterwege laten van behandelaarsinformatie afdoende is verantwoord. De uitspraak past in een vaste lijn van de Centrale Raad van Beroep over de beoordelingsruimte van het UWV bij de inrichting van medisch onderzoek en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Voor appellante betekent de uitspraak dat zij geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 11 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied