WAO-uitkering niet verhoogd wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
ECLI:NL:CRVB:2026:830, Centrale Raad van Beroep, 17-06-2026, 25/875 WAO
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verhoging WAO-uitkering terecht geweigerd. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de laatste beoordeling. Ook in hoger beroep is de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet met medische gegevens onderbouwd. Het incidenteel hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
Kern van de zaak
Appellant ontvangt een WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid en verzoekt verhoging omdat zijn ongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak zou zijn toegenomen binnen vijf jaar. Het UWV weigert de verhoging. Appellant vecht dit aan bij de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van appellant is ongegrond verklaard: de Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft geweigerd de WAO-uitkering te verhogen omdat niet is aangetoond dat de arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak is toegenomen. Het incidenteel hoger beroep van het UWV over de grenzen van het geding bij de rechtbank wordt wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard.
Impactscore
LaagHet betreft een enkelvoudige zaak met een routinematige toepassing van bestaande WAO-regelgeving en jurisprudentie; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitkomst heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Appellant ontving WAO-uitkering naar 80-100% maar werd bij herbeoordeling in 2008 teruggesteld naar 15-25% arbeidsongeschiktheid.
- 2Verzoek tot verhoging vereist dat de arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na laatste beoordeling is toegenomen.
- 3De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak.
- 4Het incidenteel hoger beroep van het UWV over mogelijke overschrijding van de omvang van het geding door de rechtbank wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
- 5De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat voor verhoging van een WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak (vijfjaarstermijn) de bewijslast bij de verzekerde ligt en het ontbreken van dit bewijs verhoging verhindert. Het niet-ontvankelijkverklaren van het incidenteel hoger beroep wegens gebrek aan belang illustreert de terughoudendheid van de Raad bij processuele kwesties zonder materieel gevolg.
Praktische impact
Appellant behoudt zijn WAO-uitkering op het lagere niveau van 15-25% en krijgt geen verhoging. Voor andere WAO-gerechtigden onderstreept dit de bewijslast die zij dragen bij een beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak.
Onderwerp-impact
In het sociale zekerheidsdomein bevestigt deze uitspraak de strikte toepassing van de criteria voor herindeling van de arbeidsongeschiktheidsklasse onder de WAO, zonder nieuwe beleidsruimte te creëren.
Samenvatting
Deze zaak draait om de WAO-uitkering van appellant, die sinds 1997 een uitkering ontving naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling werd de mate van arbeidsongeschiktheid in 2008 drastisch verlaagd naar 15 tot 25%. In 2009 meldde appellant zich opnieuw toegenomen arbeidsongeschikt, maar het UWV stelde de uitkering bij besluit van oktober 2010 ongewijzigd vast op dezelfde klasse. Appellant was van mening dat zijn arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak was toegenomen binnen de wettelijke termijn van vijf jaar na de laatste beoordeling, wat recht zou geven op een hogere uitkering. De centrale juridische vraag was of aan de voorwaarden voor herindeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse was voldaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant hierin niet is geslaagd: het UWV heeft terecht geweigerd de WAO-uitkering te verhogen, omdat niet is aangetoond dat de arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak is toegenomen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt dan ook bevestigd. Daarnaast had het UWV incidenteel hoger beroep ingesteld met het argument dat de rechtbank buiten de grenzen van het bestreden besluit en de omvang van het geding was getreden door artikel 4:6 Awb toe te passen en te beoordelen of er nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding gaven om terug te komen van eerdere besluiten. De Raad verklaart dit incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, nu de hoofdzaak in het voordeel van het UWV is beslist. De uitspraak is inhoudelijk weinig verrassend en bevestigt de vaste lijn dat de bewijslast voor toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak bij de verzekerde rust.