JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:737Middel38/100

CRvB: zorgkantoor beoordeelt meerzorg onjuist, schadevergoeding toegewezen

ECLI:NL:CRVB:2026:737, Centrale Raad van Beroep, 04-06-2026, 23/1055 WLZ

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 4 juni 2026Publicatie: 5 juni 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:23/1055 WLZ

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het zorgkantoor heeft de aanspraak van appellante op meerzorg op onjuiste wijze beoordeeld. Vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval acht de Raad het niet opportuun het zorgkantoor een nieuw onderzoek te laten doen en de beoordeling opnieuw te laten verrichten. De Staat en het zorgkantoor moeten appellante een schadevergoeding betalen, omdat de redelijke termijn is overschreden.

Kern van de zaak

Appellante (geboren 1990, lichamelijke en verstandelijke beperking) maakte aanspraak op meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor wees deze aanspraak af, waarna de rechtbank oordeelde dat appellante geen procesbelang had bij inhoudelijke beoordeling. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart de beroepen tegen de besluiten van het zorgkantoor gegrond, waarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. De doorslaggevende reden is dat het zorgkantoor de aanspraak op meerzorg op onjuiste wijze heeft beoordeeld; vanwege bijzondere omstandigheden acht de Raad een nieuw onderzoek niet opportuun. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is relevant voor de Wlz-meerzorgpraktijk en bevestigt bestaande jurisprudentielijnen over procesbelang en redelijke termijn, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels en heeft primair individuele betekenis voor appellante.

Belangrijkste punten

  • 1Rechtbank oordeelde ten onrechte dat appellante geen procesbelang had bij inhoudelijke beoordeling van het beroep.
  • 2Zorgkantoor heeft de aanspraak op meerzorg (Wlz) op onjuiste wijze beoordeeld.
  • 3Raad acht nieuw onderzoek door het zorgkantoor niet opportuun vanwege bijzondere omstandigheden van het geval.
  • 4Rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten blijven ondanks vernietiging in stand.
  • 5Staat veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat zorgkantoren bij de beoordeling van meerzorgaanspraken op grond van de Wlz zorgvuldig en op juiste wijze te werk moeten gaan, en dat rechters procesbelang niet te snel mogen afwijzen. De rechter kan in bijzondere omstandigheden zelf de zaak afdoen zonder terugverwijzing naar het bestuursorgaan.

Praktische impact

Voor appellante betekent de uitspraak erkenning van de onjuiste beoordeling door het zorgkantoor en een financiële compensatie voor de buitensporig lange procedureduur. Zorgkantoren worden gewaarschuwd zorgvuldiger om te gaan met meerzorgbeoordelingen voor kwetsbare cliënten.

Onderwerp-impact

In het zorgdomein onderstreept deze uitspraak het belang van correcte indicatiestelling en meerzorgbeoordeling voor mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking onder de Wlz, en de mogelijkheid om bij falende besluitvorming een schadevergoedingsvordering wegens termijnoverschrijding in te stellen.

Samenvatting

Deze zaak betreft een vrouw (geboren 1990) met een lichamelijke en verstandelijke beperking die op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) aanspraak maakte op meerzorg. Het zorgkantoor wees haar aanvraag af bij besluiten van 30 maart 2021 en 30 september 2021. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, een oordeel waartegen appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante geen procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling. Na uitgebreid onderzoek — waarbij zelfs een gedragsdeskundige ter zitting verscheen en de zaak werd terugverwezen naar de meervoudige kamer — stelt de Raad vast dat het zorgkantoor de meerzorgaanspraak op onjuiste wijze heeft beoordeeld. Omdat de bijzondere omstandigheden van dit geval daartoe aanleiding geven, acht de Raad het niet opportuun het zorgkantoor een nieuw onderzoek te laten uitvoeren. In plaats daarvan worden de bestreden besluiten vernietigd, maar blijven de rechtsgevolgen ervan in stand. Dit is een technische juridische constructie waarbij de beslissing van het bestuursorgaan weliswaar formeel onjuist is bevonden, maar de feitelijke uitkomst niet meer wordt teruggedraaid. Daarnaast honoreert de Raad het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding. De procedure heeft meerdere jaren geduurd, met twee zittingen en een heropening van het onderzoek, hetgeen de termijnoverschrijding verklaart. De uitspraak is relevant voor de Wlz-praktijk omdat zij bevestigt dat zorgkantoren zorgvuldig moeten omgaan met meerzorgbeoordelingen en dat rechters procesbelang niet te lichtvaardig mogen afwijzen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 20 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1288Hoog
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1288, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01208

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
68/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied