JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:1343Laag18/100

Dagloonberekening IVA-uitkering zonder loonloze tijdvakken bevestigd

ECLI:NL:CRVB:2026:1343, Centrale Raad van Beroep, 07-10-2026, 25/1983 WIA

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 7 oktober 2026Publicatie: 9 oktober 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:25/1983 WIA
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Wet Wia
Dagloon
Referteperiode
Iva Uitkering
Loonloze Tijdvakken

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Het Uwv heeft het dagloon van de toegekende WIA-uitkering terecht vastgesteld op € 98,58. Juiste referteperiode en aangiftetijdvak. Het Uwv heeft het dagloon overeenkomstig de artikelen 13 en 16 van het Dagloonbesluit vastgesteld. Toepassing van die artikelen niet onevenredig. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Kern van de zaak

Appellant ontving achtereenvolgens een WIA-uitkering, WW-uitkering en werkte tijdelijk bij twee werkgevers. Na melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 21 juli 2022 kende het UWV een IVA-uitkering toe, maar appellant betwistte de hoogte van het vastgestelde dagloon (€ 98,58).

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard; het door het UWV vastgestelde dagloon wordt in stand gelaten. Doorslaggevend is dat in de referteperiode geen loonloze tijdvakken aanwezig waren, zodat het UWV het totale sv-loon terecht heeft gedeeld door 261 dagen conform de Wet WIA.

18van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande wetgeving en vaste jurisprudentie toe op een individueel geval zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de juridische betekenis reikt niet verder dan de betrokken partijen.

Belangrijkste punten

  • 1Het UWV stelde het dagloon voor de IVA-uitkering vast op € 98,58 na indexering, op basis van het sv-loon in de referteperiode gedeeld door 261 dagen.
  • 2Appellant betwistte de dagloonberekening, maar het UWV toonde aan dat er geen loonloze tijdvakken waren in de referteperiode.
  • 3De wettelijke berekeningssystematiek (1/261 deel van het jaarloon) is correct toegepast conform de Wet WIA.
  • 4Zowel de rechtbank in eerste aanleg als de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep volgden het standpunt van het UWV.
  • 5De uitspraak is beperkt van omvang doordat de tekst onvolledig is; de volledige motivering van het hoger beroep is niet zichtbaar.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de standaard dagloonberekeningssystematiek bij IVA-uitkeringen: bij afwezigheid van loonloze tijdvakken wordt het sv-loon gedeeld door 261 dagen zonder correctie. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.

Praktische impact

Appellant ontvangt de IVA-uitkering op basis van het door het UWV vastgestelde dagloon en heeft recht op nabetaling over de periode 21 juli 2022 tot en met 30 juni 2025, maar de door hem gewenste hogere dagloongrondslag wordt niet gehonoreerd.

Onderwerp-impact

Voor uitkeringsgerechtigden die de hoogte van hun dagloon betwisten, benadrukt deze uitspraak dat het ontbreken van loonloze tijdvakken de toepassing van de standaard 261-dagensystematiek rechtvaardigt en corrigerende factoren dan niet van toepassing zijn.

Samenvatting

Appellant had vanaf augustus 2019 een WIA-uitkering, die in mei 2021 werd beëindigd omdat hij voldoende verdiende bij een werkgever. Daarna ontving hij een WW-uitkering, werkte tijdelijk bij een tweede werkgever, en ontving opnieuw een WW-uitkering. Op 10 april 2024 meldde appellant zich met terugwerkende kracht toegenomen arbeidsongeschikt per 21 juli 2022. Het UWV kende hem met ingang van die datum een IVA-uitkering toe met een dagloon van € 98,58 (na indexering), wat recht gaf op een nabetaling over de periode tot en met 30 juni 2025. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon. Het UWV handhaafde bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2024 de berekening. De centrale juridische vraag was of het UWV het dagloon correct had berekend door het totale sv-loon in de referteperiode te delen door 261 dagen. Appellant stelde kennelijk dat er sprake was van loonloze tijdvakken die tot een andere berekeningswijze hadden moeten leiden. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verwierpen dit standpunt. Uit het door het UWV verstrekte loonverzamelingsoverzicht bleek dat er in de referteperiode geen loonloze tijdvakken waren. De toepassing van de wettelijke hoofdregel — waarbij het dagloon 1/261 deel bedraagt van het in een jaar verdiende loon — was daarmee correct. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak van de rechtbank bleef in stand. De uitspraak heeft een beperkt juridisch gewicht: zij past een vaste berekeningssystematiek toe op een concreet geval en stelt geen nieuwe rechtsnormen. Voor de praktijk onderstreept de zaak het belang van een nauwkeurige loonadministratie bij de vaststelling van uitkeringsrechten.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven·13 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:CBB:2026:491

Maatschap verliest hoger beroep over mestgebruiksnormen en bewijslast

30/100Bekijk
College van Beroep voor het bedrijfsleven·13 okt 2026
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:CBB:2026:492

Beroep GLB-subsidie ongegrond, wel schadevergoeding wegens lange duur

28/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·13 okt 2026
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Aansprakelijkheid
ECLI:NL:RBDHA:2026:30164

Asielaanvraag Iraakse IS-vluchteling ongegrond verklaard

22/100Bekijk
College van Beroep voor het bedrijfsleven·13 okt 2026
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Vergunningen
ECLI:NL:CBB:2026:494

GLB-subsidie maatschap deels toegewezen na heroverweging minister

18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied