JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:1323Middel35/100

Verzoek schadevergoeding redelijke termijn afgewezen wegens gering belang

ECLI:NL:CRVB:2026:1323, Centrale Raad van Beroep, 06-10-2026, 26/1758 PW

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 6 oktober 2026Publicatie: 9 oktober 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:26/1758 PW

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De Raad sluit zich hierbij aan.

Kern van de zaak

Verzoekster diende een verzoek in bij de Centrale Raad van Beroep om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM) in een bijstandszaak (Participatiewet). De zaak doorliep drie instanties en verzoekster stelde immateriële schade te hebben geleden door spanning en frustratie als gevolg van de lange procesduur.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om schadevergoeding af. De doorslaggevende reden is dat sprake is van een bijzondere omstandigheid – het financiële belang bij de procedure is zeer gering – waardoor, in lijn met Hoge Raad-rechtspraak, mag worden verondersteld dat geen immateriële schade is geleden die vergoeding rechtvaardigt.

35van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft beperkte maar niet te verwaarlozen precedentwerking: het expliciet doortrekken van de Hoge Raad-uitzondering naar Participatiewetzaken is een relevante rechtsontwikkeling, maar betreft geen fundamentele koerswijziging en de CRvB is niet de hoogste instantie in deze materie.

Belangrijkste punten

  • 1De redelijke termijn voor een drieinstantieprocedure bedraagt in beginsel vier jaar, met vaste deeltermijnen per fase.
  • 2Bij overschrijding wordt in beginsel € 500 per half jaar of gedeelte daarvan als vergoeding toegekend.
  • 3Als hoofdregel wordt immateriële schade (spanning en frustratie) bij termijnoverschrijding verondersteld aanwezig te zijn.
  • 4Uitzondering: bij een zeer gering financieel belang (analogie Hoge Raad belastingzaken) mag worden verondersteld dat geen schadevergoeding gepast is.
  • 5De Raad past de Hoge Raad-norm uit ECLI:NL:HR:2024:853 toe op bijstandszaken, waarmee deze lijn wordt doorgetrokken naar het socialezekerheidsrecht.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de Hoge Raad-uitzondering voor zaken met een zeer gering financieel belang – ontwikkeld in het belastingrecht – ook wordt toegepast in het socialezekerheidsrecht (Participatiewet), waarmee de reikwijdte van deze uitzondering verder wordt uitgebreid.

Praktische impact

Verzoekster ontvangt geen schadevergoeding ondanks een mogelijke termijnoverschrijding; betrokkenen in bijstandszaken met een klein financieel belang kunnen in vergelijkbare situaties geen aanspraak maken op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Onderwerp-impact

Voor de uitvoeringspraktijk van de Participatiewet betekent dit dat gemeenten en de Staat minder snel financieel aansprakelijk worden gesteld bij trage procedures in zaken met een beperkt financieel belang.

Samenvatting

In deze zaak oordeelde de Centrale Raad van Beroep over een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM. Verzoekster had in een procedure op grond van de Participatiewet (bijstandszaak) drie instanties doorlopen en verzocht om vergoeding van immateriële schade – spanning en frustratie – als gevolg van de lange procesduur. De Raad herhaalt de vaste normen: een drieinstantieprocedure mag in beginsel niet langer dan vier jaar duren, met deeltermijnen van een half jaar voor bezwaar, anderhalf jaar voor beroep en twee jaar voor hoger beroep. Bij overschrijding is in beginsel een vergoeding van € 500 per half jaar of gedeelte daarvan gepast, en immateriële schade wordt bij termijnoverschrijding als regel verondersteld aanwezig te zijn. De Raad wijst het verzoek echter af op grond van een bijzondere omstandigheid: het financiële belang bij de procedure is zeer gering. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad – in het bijzonder ECLI:NL:HR:2024:853 en het eerdere arrest ECLI:NL:HR:2016:252 – overweegt de Raad dat in dergelijke gevallen mag worden verondersteld dat geen immateriële schade is opgetreden die aanleiding geeft tot schadevergoeding. Hoewel deze lijn oorspronkelijk werd ontwikkeld in belastingzaken (buiten het domein van bestuurlijke boetes), trekt de Raad haar nu expliciet door naar socialezekerheidsrechtelijke procedures onder de Participatiewet. De juridische betekenis van de uitspraak ligt in het consolideren en verbreden van deze uitzondering naar het bijstandsrecht. Voor de praktijk betekent dit dat verzoeksters in vergelijkbare situaties – met een gering financieel belang – ook bij een aantoonbare termijnoverschrijding geen recht hebben op schadevergoeding. Het verzoek wordt afgewezen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
35van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursprocesrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven·13 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Zorg
ECLI:NL:CBB:2026:478

Beroep Stichting Rookpreventie Jeugd over tabaksemissies ongegrond

38/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1654

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1640

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen Belastingsamenwerking West-Brabant

5/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1666

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied