Beroep Stichting Rookpreventie Jeugd over tabaksemissies ongegrond
ECLI:NL:CBB:2026:478, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-10-2026, 22/2540, 22/2559, 22/2580, 22/2585, 22/2597, 22/2599 en 23/655
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De maximumemissieniveaus van filtersigaretten moeten worden gemeten volgens de ISO-methoden uit de Europese Tabaksrichtlijn (richtlijn 2014/40/EU). Dit volgt uit de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2026:327). De Stichting Rookpreventie Jeugd had de NVWA verzocht om de maximumemissieniveaus te meten met andere methoden dan de voorgeschreven ISO-meetmethoden. De ISO-meetmethoden zouden het beoogd gebruik van een sigaret volgens de Stichting onvoldoende benaderen, omdat die methoden er geen rekening mee houden dat de minuscule gaatjes in het filter van een sigaret in de praktijk worden afgesloten door de vingers en lippen van de roker. Hierdoor inhaleert die roker gehalten aan teer, nicotine en koolmonoxide die aanzienlijk hoger liggen dan de in Tabaksrichtlijn vastgestelde maximumemissieniveaus. De NVWA wees het handhavingsverzoek af, omdat zij van mening was dat een andere meetmethode niet was toegestaan, maar kreeg in beroep de opdracht van de rechtbank toch tot handhaving over te gaan. Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie volgt dat de Stichting zich niet kan beroepen op andere meetmethoden dan de in de richtlijn voorgeschreven ISO-meetmethoden. De opdracht van de rechtbank aan de NVWA om over te gaan tot handhaven was dan ook onterecht. Het College vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank.
Kern van de zaak
De Stichting Rookpreventie Jeugd vocht een besluit van de NVWA en de minister aan over de meetmethoden voor maximumemissieniveaus van tabaksproducten. De stichting stelde dat andere meetmethoden dan de ISO-meetmethoden uit de richtlijn toegepast moesten worden. Tabaksfabrikanten Philip Morris, BAT, JTI en Imperial traden op als belanghebbenden in de procedure.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart het beroep van de Stichting Rookpreventie Jeugd ongegrond en vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De doorslaggevende reden is dat het Hof van Justitie inmiddels heeft geoordeeld dat de maximumemissieniveaus uitsluitend gemeten moeten worden volgens de ISO-meetmethoden als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn, waarmee de beroepsgronden van de Stichting hun basis verliezen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte rechtsvormende waarde voor de bredere rechtsorde omdat de inhoudelijke norm al door het Hof van Justitie is bepaald; het College past deze norm slechts toe. De beslissing is wel relevant voor de tabakssector en volksgezondheidsdebat rondom emissienormen.
Belangrijkste punten
- 1Het Hof van Justitie heeft in een prejudiciële procedure geoordeeld dat de ISO-meetmethoden uit artikel 4 lid 1 van de richtlijn bindend zijn voor het meten van maximumemissieniveaus van tabak.
- 2De beroepsgronden van de Stichting Rookpreventie Jeugd, die andere meetmethoden bepleiten, zijn na dit arrest van het Hof van Justitie niet langer houdbaar.
- 3Het hoger beroep van de tabaksfabrikanten (Philip Morris, JTI, Imperial en BAT) en de VSK slaagt; het incidenteel hoger beroep van de Stichting slaagt niet.
- 4De NVWA en de minister worden veroordeeld in de proceskosten van de tabaksfabrikanten (elk € 11.791,-), omdat het slagen van het hoger beroep proceskosten voor rekening van het bestuursorgaan brengt, ook als het besluit rechtmatig blijkt.
- 5Het griffierecht van € 548,- per tabaksfabrikant wordt door de NVWA en de minister vergoed.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de ISO-meetmethoden uit artikel 4 lid 1 van de tabaksrichtlijn exclusief en bindend zijn voor de meting van maximumemissieniveaus, waarbij alternatieve meetmethoden juridisch buiten beschouwing blijven. Tevens wordt de vaste bestuursrechtelijke kostenleer bevestigd: slaagt het hoger beroep, dan komen proceskosten in beginsel voor rekening van het bestuursorgaan.
Praktische impact
Tabaksfabrikanten ontvangen elk ruim € 11.000,- aan proceskostenvergoeding en de betaalde griffierechten terug. De Stichting Rookpreventie Jeugd heeft haar juridische strijd verloren en kan geen alternatieve meetmethoden afdwingen bij de Nederlandse toezichthouder.
Onderwerp-impact
Voor de tabakssector betekent deze uitspraak dat de wettelijke grondslag voor emissienormen ongewijzigd blijft en dat toezicht op emissieniveaus uitsluitend plaatsvindt via de Europees vastgestelde ISO-methoden, zonder ruimte voor aanvullende nationale meetstandaarden.
Samenvatting
De Stichting Rookpreventie Jeugd had beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van de NVWA en de minister van 31 januari 2019, waarbij zij bestreed dat de maximumemissieniveaus van tabaksproducten uitsluitend gemeten worden via de ISO-meetmethoden zoals voorgeschreven in artikel 4, eerste lid, van de Europese tabaksrichtlijn. Volgens de Stichting zouden andere meetmethoden moeten worden gehanteerd die een realistischer beeld geven van de daadwerkelijke emissies bij het roken. De rechtbank Rotterdam had eerder in 2022 uitspraak gedaan, waarbij overwegingen waren opgenomen over de feitelijk gehanteerde meetmethode. In hoger beroep hebben de tabaksfabrikanten Philip Morris, BAT, JTI en Imperial, alsmede de VSK, met succes hogerberoep ingesteld. Het Hof van Justitie heeft inmiddels in een prejudiciële procedure geoordeeld dat de ISO-meetmethoden uit de richtlijn bindend en exclusief zijn. Dit arrest is doorslaggevend: de beroepsgronden van de Stichting, die alternatieve meetmethoden bepleiten, zijn daarmee juridisch kansloos geworden. Het incidenteel hoger beroep van de Stichting over de door de rechtbank gemaakte overwegingen omtrent de feitelijke meetmethode slaagt evenmin, nu die overwegingen na het Hofarrest geen zelfstandige betekenis meer hebben. Het College vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het oorspronkelijke beroep van de Stichting ongegrond. Conform vaste jurisprudentie worden de NVWA en de minister veroordeeld in de proceskosten van de tabaksfabrikanten (elk € 11.791,-) en in de vergoeding van het griffierecht (€ 548,- per partij), ook al is het bestuursbesluit inhoudelijk rechtmatig bevonden. De uitspraak illustreert de werking van de Europese rechtshiërarchie: een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie bepaalt de uitkomst van de nationale procedure.