WIA-uitkering geweigerd: dierenartsassistente slechts 10,5% arbeidsongeschikt
ECLI:NL:CRVB:2026:1255, Centrale Raad van Beroep, 23-09-2026, 25/1902 WIA
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellante.
Kern van de zaak
Een voormalig dierenartsassistente meldde zich in september 2021 ziek met rugklachten en onderging in 2022 een hernia-operatie. Na haar WIA-aanvraag stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid vast op slechts 10,5%, ruim onder de drempel van 35%. Zij bestrijdt deze beoordeling via bezwaar, beroep en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Doorslaggevend is dat het medisch en arbeidskundig onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig is uitgevoerd en de vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 10,5% de wettelijke drempel van 35% niet haalt.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige individuele WIA-toepassing zonder nieuwe rechtsvragen of precedentwerking; de Centrale Raad van Beroep bevestigt slechts de bestaande zorgvuldigheidsnorm.
Belangrijkste punten
- 1Appellante werkte als dierenartsassistente (31,95 uur/week) en meldde zich ziek met rugklachten; na hernia-operatie volgde WIA-aanvraag.
- 2UWV stelde de arbeidsongeschiktheid in bezwaar bij op 10,5% na selectie van vier vervangende functies, ruim onder de 35%-drempel voor WIA-uitkering.
- 3Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig was.
- 4De verzekeringsarts bezwaar en beroep paste de FML aan, waardoor drie eerder geselecteerde functies vervielen en vier nieuwe functies werden geselecteerd.
- 5Appellante slaagde er niet in gegronde twijfel te zaaien over de medische of arbeidskundige beoordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande toetsingspraktijk waarbij de rechter het medisch-arbeidskundig onderzoek van het UWV marginaal toetst op zorgvuldigheid, zonder eigen inhoudelijke herbeoordeling. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Appellante ontvangt geen WIA-uitkering en dient zelf naar passend werk te zoeken of andere inkomensondersteuning te zoeken. De uitspraak sluit de rechtsmiddelen in dit geschil definitief af.
Onderwerp-impact
Voor arbeidsongeschikte werknemers met rugklachten en vergelijkbare aandoeningen benadrukt deze zaak dat een hernia-operatie en resterende beperkingen niet automatisch leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage boven de 35%-drempel.
Samenvatting
Deze zaak betreft een voormalige dierenartsassistente die zich in september 2021 ziek meldde met rugklachten en in 2022 een hernia-operatie onderging. Na het verstrijken van de wachttijd diende zij een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV weigerde de uitkering bij besluit van november 2023, omdat de vastgestelde arbeidsongeschiktheid ruim onder de wettelijke drempel van 35% bleef. In bezwaar werd de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepast, wat ertoe leidde dat drie eerder geselecteerde functies vervielen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep selecteerde vier vervangende functies, op basis waarvan de arbeidsongeschiktheid werd berekend op 10,5%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. Appellante stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde en oordeelde dat het onderzoek voldoende zorgvuldig had plaatsgevonden. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar ook hier zonder succes. De Centrale Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank: het medisch en arbeidskundig onderzoek door het UWV voldeed aan de zorgvuldigheidseisen en er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen en de geselecteerde functies. De kern van de juridische vraag was of het UWV de beperkingen van appellante correct had vastgelegd en of de geselecteerde functies passend waren. Nu appellante er niet in slaagde de bevindingen van het UWV inhoudelijk te weerleggen, bleef de weigering van de WIA-uitkering in stand. De uitkomst is voor appellante ongunstig: zij ontvangt geen arbeidsongeschiktheidsuitkering en moet elders inkomensondersteuning zoeken.