ZW-uitkering bezorger terecht beëindigd na eerstejaars beoordeling
ECLI:NL:CRVB:2026:1254, Centrale Raad van Beroep, 23-09-2026, 25/1864 ZW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beëindiging ZW-uitkering omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Onjuiste indexering. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn. De Raad stelt vast dat indexering tot en met de maand december 2023 geen gevolgen heeft voor de uitkomst van dit besluit. Appellant is hierdoor niet benadeelt.
Kern van de zaak
Een voormalig post-/pakketbezorger viel op 5 november 2022 uit met linker knieklachten en ontving een ZW-uitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling beëindigde het UWV de uitkering per 9 februari 2024, omdat appellant geacht werd voldoende te kunnen verdienen in andere functies. Appellant bestreed dit besluit via bezwaar, beroep en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond; de ZW-uitkering is terecht beëindigd. Doorslaggevend is dat het medisch onderzoek zorgvuldig is bevonden en appellant in staat wordt geacht meer dan 65% van zijn oude loon te verdienen in geschikte resterende functies. Het UWV wordt wel veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige bevestiging van bestaande ZW-jurisprudentie in een individuele zaak zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen; de uitkomst is sterk feitelijk bepaald.
Belangrijkste punten
- 1Appellant werkte als post-/pakketbezorger en viel uit met linker knieklachten; ex-werkgever was eigen risicodrager.
- 2Na eerstejaars ZW-beoordeling stelde verzekeringsarts beperkingen vast in een FML; arbeidsdeskundige selecteerde passende functies.
- 3UWV beëindigde ZW-uitkering per 9 februari 2024 omdat appellant 100% van zijn vroegere loon kon verdienen in andere functies.
- 4In bezwaar werd één functie verworpen, maar resterende functies volstonden nog steeds (meer dan 65% loonwaarde).
- 5CRvB bevestigt rechtbankoordeel: medisch onderzoek was zorgvuldig en conclusies verzekeringsartsen niet betwistbaar; proceskosten ten laste van UWV.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn in de ZW-jurisprudentie dat bij eerstejaars beoordelingen de 65%-norm leidend is en dat rechters in beginsel afgaan op de conclusies van UWV-verzekeringsartsen tenzij concrete medische tegenaanwijzingen bestaan. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Voor appellant betekent de uitspraak dat zijn ZW-uitkering definitief beëindigd blijft; hij ontvangt wel een proceskostenvergoeding van € 3.736,- en teruggave van griffierecht van € 194,-. Voor andere ZW-gerechtigden onderstreept de uitspraak het belang van tijdige inbreng van medisch tegenbewijs.
Onderwerp-impact
In de sociale zekerheidscontext bevestigt deze zaak dat het UWV bij eigen risicodragers dezelfde beoordelingssystematiek hanteert en dat de drempel voor succesvol bestrijden van eerstejaars ZW-beslissingen hoog ligt zonder onderbouwd medisch tegenadvies.
Samenvatting
Deze zaak betreft een voormalig post-/pakketbezorger die op 5 november 2022 uitviel met linker knieklachten en aansluitend een Ziektewet-uitkering ontving via het UWV, waarbij zijn ex-werkgever optrad als eigen risicodrager. In het kader van de verplichte eerstejaars ZW-beoordeling werd appellant op 25 september 2023 gezien door een verzekeringsarts, die hem belastbaar achtte met inachtneming van functionele beperkingen vastgelegd in een FML van 27 december 2023. Een arbeidsdeskundige stelde vervolgens vast dat appellant niet meer geschikt was voor zijn eigen werk, maar dat hij in geselecteerde andere functies 100% van zijn vroegere loon kon verdienen. Op grond hiervan beëindigde het UWV de ZW-uitkering per 9 februari 2024. In de bezwaarfase werd één functie alsnog verworpen, maar de resterende functies waren voldoende om te concluderen dat appellant nog steeds meer dan 65% van zijn vroegere loon kon verdienen — de wettelijke drempel voor beëindiging van de ZW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en er geen reden was te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel volledig in hoger beroep. De juridische kernvraag — of het UWV de ZW-uitkering op goede gronden heeft beëindigd op basis van een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek — wordt bevestigend beantwoord. Er zijn geen nieuwe rechtsvragen beantwoord; de uitspraak past in de vaste lijn van de CRvB-jurisprudentie over eerstejaars ZW-beoordelingen. Opvallend is dat de CRvB het UWV desondanks veroordeelt in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-, wat suggereert dat in de procedure alsnog een voor appellant gunstig element aan de orde is gekomen, vermoedelijk in het kader van de functieselectie. Tevens wordt het griffierecht van € 194,- vergoed.