JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:1093Laag18/100

Bijstandsaanvraag zelfstandige afgewezen wegens onduidelijke woonsituatie

ECLI:NL:CRVB:2026:1093, Centrale Raad van Beroep, 18-08-2026, 25/73 PW

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 18 augustus 2026Publicatie: 26 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:25/73 PW
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Participatiewet
Tozo
Zelfstandigen
Bijstandsaanvraag
Woonsituatie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Afwijzing aanvragen om bijstand. Terugvordering voorschot. Onduidelijke financiële situatie. Schending inlichtingenverplichting. Onduidelijke woon- en leefsituatie. Schending medewerkingsverplichting. Niet verschijnen op gesprek. Appellant heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn financiële situatie. Appellant heeft zijn bijstandbehoevendheid dan ook niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten. Verder is niet in geschil dat op de bankrekening van appellant stortingen hebben plaatsgevonden. Appellant heeft de herkomst van deze bedragen niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft geen controleerbare bewijzen overgelegd voor zijn stelling dat de bedragen afkomstig waren van leningen.

Kern van de zaak

Een voormalig zelfstandige ondernemer vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet na eerdere afwijzingen van meerdere andere regelingen. Het college van B&W weigerde of nam de aanvraag niet in behandeling vanwege onduidelijkheden over zijn woonsituatie en de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorzag. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Beslissing van de rechter

Op basis van de beschikbare tekst is de definitieve beslissing van de Centrale Raad van Beroep niet volledig kenbaar, omdat de uitspraak onvolledig is aangeleverd. De procedure betreft de rechtmatigheid van de weigering van bijstand waarbij de onduidelijkheid over de woonsituatie (meerdere bewoners op hetzelfde adres) en het ontbreken van inzicht in de financiering van levensonderhoud de doorslaggevende redenen vormen voor het handelen van het college.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele casusbeslissing zonder aanwijzingen voor richtinggevende rechtsontwikkeling; de uitspraak is bovendien onvolledig aangeleverd waardoor de juridische impact niet volledig beoordeeld kan worden.

Belangrijkste punten

  • 1Appellant was werkzaam als zelfstandige en ontving eerder Tozo-bijstand van maart 2020 tot september 2021
  • 2Meerdere opeenvolgende aanvragen (Bbz 2004, IOAZ, PW) zijn niet in behandeling genomen of afgewezen
  • 3Het college twijfelde aan de woonsituatie omdat twee andere personen op hetzelfde adres stonden ingeschreven
  • 4Bankafschriften vertoonden geen transacties voor levensonderhoud of contante opnames, wat vragen opriep over de feitelijke leefsituatie
  • 5Appellant verklaarde dat familie hem financieel ondersteunde en dat hij contant boodschappen deed; de uitspraak is onvolledig waardoor de eindconclusie ontbreekt

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak illustreert de informatieverplichtingen van bijstandsaanvragers op grond van de Participatiewet en de bevoegdheid van het college om aanvragen buiten behandeling te stellen bij onvoldoende medewerking aan onderzoek naar de woonsituatie en financiële omstandigheden. Vanwege de onvolledigheid van de uitspraak is de precieze rechtsregel onduidelijk.

Praktische impact

Voor appellant betekent de procedure dat hij zonder bijstand zit en afhankelijk is van familieondersteuning; voor gemeenten bevestigt de zaak het belang van grondig feitenonderzoek bij twijfels over de leefsituatie van aanvragers.

Onderwerp-impact

De zaak raakt de toegang tot sociale bijstandsregelingen voor voormalige zelfstandige ondernemers, een groep die na het aflopen van Tozo-steun vaak moeite heeft aansluiting te vinden bij reguliere bijstandsregelingen.

Samenvatting

Deze zaak bij de Centrale Raad van Beroep betreft een voormalig zelfstandige ondernemer die na het beëindigen van zijn Tozo-uitkering (maart 2020 – september 2021) opeenvolgend bijstand aanvroeg op grond van het Bbz 2004, de IOAZ en de Participatiewet. Al deze aanvragen werden niet in behandeling genomen of afgewezen door het college van B&W. De centrale aanvraag in deze procedure dateert van 21 juli 2022 en betreft bijstand op grond van de Participatiewet met als gewenste ingangsdatum 1 januari 2022. Het college verzocht appellant om uitgebreide nadere informatie, waaronder bankafschriften, een verklaring over zijn levensonderhoud in de periode oktober 2021 tot september 2022, schuldbewijzen en een uitschrijving bij de KvK. Uit onderzoek bleek dat twee andere personen op hetzelfde adres stonden ingeschreven, wat twijfels opriep over de werkelijke woonsituatie van appellant en de vraag of hij als alleenstaande of als onderdeel van een gezamenlijke huishouding moest worden aangemerkt. Verder vertoonden de overgelegde bankafschriften geen normale bestedingen voor levensonderhoud, terwijl appellant verklaarde dat hij werd ondersteund door familie en dat hij contant boodschappen deed. Appellant gaf bij een huisbezoek een beschrijving van zijn woning en verklaarde dat de woningstichting het slot van zijn voordeur had vervangen en dat hij geen sleutel had. De juridische kern van het geschil betreft de vraag of het college terecht de aanvraag heeft afgewezen op grond van onvoldoende inzicht in de woonsituatie en de financiële omstandigheden. Omdat de aangeleverde uitspraaktekst onvolledig is, kan de definitieve beslissing van de Centrale Raad van Beroep niet met zekerheid worden vastgesteld.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 7 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied