Pgb-aanvraag jeugdhulp terecht afgewezen wegens geen nieuwe feiten
ECLI:NL:CRVB:2026:1090, Centrale Raad van Beroep, 20-08-2026, 25/2078 JW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De Raad bevestigt dat het college afwijzend mocht beslissen op een herhaalde aanvraag van appellant om jeugdhulp. Appellant heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren gebracht. De weigering om terug te komen van de eerdere besluitvorming is ook niet evident onredelijk. Gedurende een ondertoezichtstelling is het de gecertificeerde instelling (GI), en niet het college, die bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Pas nadat de GI bepaald heeft dat en welke jeugdhulp is aangewezen, rijst de vraag of daarin kan worden voorzien door jeugdhulp in natura of in de vorm van een pgb.
Kern van de zaak
Een minderjarige met ASS en XYY-syndroom, onder toezicht gesteld bij het Leger des Heils, vroeg herhaaldelijk een persoonsgebonden budget aan bij de gemeente voor persoonlijke begeleiding. De gemeente wees de herhaalde aanvragen af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (artikel 4:6 Awb).
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de afwijzing van de herhaalde pgb-aanvraag op grond van artikel 4:6 Awb terecht is, nu appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd ten opzichte van eerdere aanvragen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande wetgeving en jurisprudentie rondom artikel 4:6 Awb toe op een individueel jeugdhulpgeval en stelt geen nieuwe rechtsregel. De impact blijft beperkt tot vergelijkbare gevallen van herhaalde pgb-aanvragen bij ondertoezichtstelling.
Belangrijkste punten
- 1Appellant (minderjarige met ASS en XYY-syndroom) stond onder toezicht van het Leger des Heils als gecertificeerde instelling krachtens de Jeugdwet.
- 2De gemeente stelde zich eerder al op het standpunt dat bij een ondertoezichtstelling de gemeente niet bevoegd is te beslissen over de inhoud van de jeugdhulp.
- 3Herhaalde pgb-aanvragen werden afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
- 4Tegen het eerste afwijzende besluit (bezwaar ongegrond verklaard op 25 oktober 2024) is geen beroep ingesteld, waardoor dit in rechte vaststaat.
- 5De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat herhaalde aanvragen zonder nieuwe feiten of omstandigheden op basis van artikel 4:6 Awb zonder nadere inhoudelijke beoordeling mogen worden afgewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 4:6 Awb in het jeugdhulpdomein: zonder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kan een herhaalde pgb-aanvraag worden afgewezen onder verwijzing naar eerdere afwijzende beschikkingen. Dit legt de bewijslast duidelijk bij de aanvrager.
Praktische impact
Voor de minderjarige appellant betekent dit dat hij zonder aanvullende, inhoudelijk nieuwe gronden geen pgb kan verkrijgen voor de door hem gewenste begeleider. Ouders en jeugdigen onder toezichtstelling dienen te beseffen dat de GI in beginsel bevoegd is over de in te zetten jeugdhulp te beslissen, en dat herhaling van dezelfde aanvraag bij de gemeente niet succesvol zal zijn.
Onderwerp-impact
In de jeugdhulppraktijk onderstreept deze uitspraak dat bij een ondertoezichtstelling de gecertificeerde instelling en niet de gemeente beslist over de inhoud van de jeugdhulp, hetgeen de toegang tot een pgb via de gemeente voor onder toezicht gestelde jongeren sterk beperkt.
Samenvatting
In deze zaak staat centraal een minderjarige jongen, geboren in 2010, gediagnosticeerd met een Autisme Spectrum Stoornis en het XYY-syndroom, die sinds december 2022 niet meer naar school gaat en onder toezicht is gesteld. Het Leger des Heils voert als gecertificeerde instelling de ondertoezichtstelling uit. Appellant wilde via een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet persoonlijke begeleiding inkopen bij een specifieke begeleider. De gemeente wees de aanvraag aanvankelijk af met het argument dat bij een ondertoezichtstelling de gemeente niet bevoegd is te beslissen over de inhoud van de jeugdhulp. Tegen dat besluit werd geen beroep ingesteld, zodat dit onaantastbaar is geworden. Vervolgens deed appellant twee nieuwe aanvragen, die de gemeente telkens afwees onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): er waren geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd ten opzichte van de eerdere aanvraag. De rechtsvraag in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep was of deze herhaalde afwijzingen op grond van artikel 4:6 Awb standhouden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit het geval is. Artikel 4:6 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan een herhaalde aanvraag zonder inhoudelijke herbeoordeling mag afwijzen, indien de aanvrager geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Nu appellant dit heeft nagelaten, was de gemeente bevoegd de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak illustreert de beperkte mogelijkheden voor onder toezicht gestelde jongeren om via herhaalde aanvragen bij de gemeente alsnog een pgb te verkrijgen, en bevestigt het belang van het tijdig aanvechten van initiële weigeringen.