Bijstand ingetrokken wegens verzwegen werk en verblijf partner in VK
ECLI:NL:CRVB:2026:1088, Centrale Raad van Beroep, 25-08-2026, 23/998 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Werkzaamheden in loondienst. Identiteitsfraude niet aannemelijk. Herhaling beroepsgronden. Geen dringende redenen. Uit onderzoek blijkt o.m. dat op naam van X en zijn NINO-nummer werkzaamheden zijn verricht en loonbetalingen zijn gedaan in het Verenigd Koninkrijk en dat zowel X als appellante ingeschreven zijn of hebben gestaan in het Verenigd Koninkrijk. Hiermee heeft het college aannemelijk gemaakt dat X in de in de hier te beoordelen periodes werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij loon heeft ontvangen. Dat sprake zou zijn geweest van identiteitsfraude, is ook in hoger beroep niet gebleken. De overwegingen van de rechtbank in dat verband worden overgenomen.
Kern van de zaak
Appellante ontving samen met haar partner bijstand naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet. Uit onderzoek bleek dat de partner al jaren werkzaamheden verrichtte in het Verenigd Koninkrijk en daar ook stond ingeschreven, zonder dit tijdig te melden. Het college trok de bijstand in en vorderde vermoedelijk terug.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep beoordeeld in het kader van de intrekking en terugvordering van bijstand. De doorslaggevende reden is dat appellante en haar partner de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 PW hebben geschonden door werkzaamheden, inkomsten en verblijf van de partner in het VK niet te melden, hetgeen het recht op bijstand naar de gehuwdennorm aantastte.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen een vaste lijn van de Centrale Raad van Beroep over schending van de inlichtingenplicht bij verzwegen buitenlandse inkomsten en stelt geen nieuwe rechtsregels. De feitelijke omstandigheden zijn casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Partner (X) verbleef en werkte met onderbrekingen in het VK vanaf 2015 zonder dit te melden aan het college
- 2IBF-onderzoek toonde aan dat X beschikte over een Brits National Insurance Number, werkte voor meerdere werkgevers en stond ingeschreven op diverse Londense adressen
- 3Appellante zelf stond vanaf 2016 ingeschreven op een adres in Londen
- 4Schending van de inlichtingenplicht (art. 17 lid 1 PW) staat centraal: feiten die van invloed zijn op de bijstand moeten onverwijld worden gemeld
- 5Een wijzigingsformulier over werk van X in Londen werd pas op 9 januari 2019 ontvangen, terwijl de situatie al vanaf 2015/2016 bestond
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strenge toepassing van de inlichtingenplicht onder de Participatiewet bij grensoverschrijdende situaties, waarbij buitenlandse werkzaamheden en verblijf van een bijstandsgerechtigde of diens partner onverwijld gemeld moeten worden. Het IBF-onderzoek als bewijsmiddel in internationale fraudezaken wordt hiermee opnieuw erkend.
Praktische impact
Appellante staat vermoedelijk voor intrekking van bijstand over een langere periode en een terugvorderingsbesluit van mogelijk aanzienlijke omvang, nu de partner jarenlang inkomsten had in het VK die niet zijn opgegeven.
Onderwerp-impact
Voor bijstandsgerechtigden met een partner die (deels) in het buitenland verblijft of werkt, benadrukt deze zaak dat ook buitenlandse inkomsten en adresregistraties direct gemeld moeten worden om schending van de inlichtingenplicht en terugvordering te voorkomen.
Samenvatting
Appellante ontving samen met haar toenmalige partner X vanaf 1 januari 2015, met onderbrekingen, bijstand naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet van de gemeente Capelle aan den IJssel. Naar aanleiding van een melding in oktober 2018 dat X mogelijk over andere bankrekeningen beschikte en in het buitenland verbleef, startte het college een rechtmatigheidsonderzoek. Medewerkers van het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) stelden vast dat X al in 2015 het Verenigd Koninkrijk was ingereisd, een Brits National Insurance Number had verkregen, stond ingeschreven op diverse adressen in Londen en vanaf 2016 met onderbrekingen in loondienst had gewerkt voor meerdere Britse werkgevers. Tevens bleek dat appellante zelf vanaf 2016 ingeschreven stond op een Londens adres. Pas op 9 januari 2019 ontving de gemeente een wijzigingsformulier waarop werd vermeld dat X sinds 2018 werk had in Londen. De centrale juridische vraag betreft de schending van de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 van de Participatiewet: hadden appellante en X tijdig melding moeten maken van de werkzaamheden, inkomsten en het verblijf van X in het VK? De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het hoger beroep tegen de beslissing van het college, waarbij de schending van de inlichtingenplicht als grondslag voor de intrekking van de bijstand centraal staat. Nu de partner jarenlang inkomsten genoot in het buitenland en beiden daar feitelijk verbleven, was de situatie overduidelijk van invloed op het recht op bijstand naar de gehuwdennorm, hetgeen onverwijld gemeld had moeten worden. De uitspraak past in de vaste rechtspraak van de Centrale Raad over grensoverschrijdende bijstandsfraude en het gebruik van IBF-onderzoeksresultaten als bewijs.