Wajong-uitkering herzien na hennepkwekerij en witwasonderzoek
ECLI:NL:CRVB:2026:1081, Centrale Raad van Beroep, 13-08-2026, 25/1141 WAJONG
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de Wajong-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 november 2019 heeft herzien en een bedrag van € 37.310,52 aan onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering heeft teruggevorderd en over de vraag of het Uwv terecht een boete van € 879,84 heeft opgelegd. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv de door appellant genoten inkomsten terecht op zijn Wajong-uitkering in mindering heeft gebracht en dat het Uwv terecht een boete heeft opgelegd. Van talmen van de kant van het Uwv is geen sprake waardoor er geen aanleiding is om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien.
Kern van de zaak
Appellant ontving een Wajong-uitkering maar werd in 2019 onderwerp van een politiemelding over witwassen en een hennepkwekerij in zijn woning. Het UWV stelde een rechtmatigheidsonderzoek in en herzag de uitkering over 2016–2019, vorderde ruim €37.989 terug en legde een boete op van €5.466,67. Appellant ging in bezwaar en beroep tegen deze besluiten.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat het UWV op basis van het onderzoeksrapport voldoende grondslag had voor de herziening, terugvordering en boeteoplegging, en appellant daar geen succesvol verweer tegen heeft kunnen voeren.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig in bestaande jurisprudentie over herziening en terugvordering van Wajong-uitkeringen bij schending van de inlichtingenplicht en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De impact blijft beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Politiemelding (2019) over witwasonderzoek en hennepkwekerij leidde tot UWV-rechtmatigheidsonderzoek van Wajong-uitkering
- 2UWV herzag de uitkering over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 november 2019 en vorderde na verrekening €37.989,12 terug
- 3Aanvullend werd een boete van €5.466,67 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht
- 4De Wajong-uitkering werd meerdere malen geschorst en gedeeltelijk ingetrokken in 2020 en 2021
- 5Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden het beroep ongegrond
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat UWV op basis van signalen uit strafrechtelijke onderzoeken een rechtmatigheidsonderzoek mag instellen en bij gebleken schending van de inlichtingenplicht tot herziening, terugvordering en beboeting mag overgaan. De uitspraak is in lijn met vaste CRvB-jurisprudentie en voegt geen nieuwe rechtsregels toe.
Praktische impact
Appellant blijft gehouden de terugvordering van bijna €38.000 en de boete van ruim €5.400 te voldoen, waarbij maandelijks €73,32 op de uitkering wordt ingehouden. Ook het verzoek om proceskostenvergoeding en griffiegeld werd niet gehonoreerd.
Onderwerp-impact
Voor Wajong-gerechtigden benadrukt deze zaak het belang van volledige naleving van de inlichtingenplicht; betrokkenheid bij criminele activiteiten kan leiden tot integrale terugvordering over meerdere jaren en een substantiële boete.
Samenvatting
Deze zaak betreft een appellant die een Wajong-uitkering ontving en in 2019 onderwerp werd van een politiemelding in verband met een witwasonderzoek en een hennepkwekerij in zijn woning. Naar aanleiding hiervan stelde het UWV een uitgebreid rechtmatigheidsonderzoek in, waarbij dossiers werden bestudeerd, bankafschriften werden gevorderd en gesprekken werden gevoerd met appellant en zijn ex-partner. De bevindingen, vastgelegd in een rapport van 6 maart 2020, leidden tot een reeks besluiten: herziening van de Wajong-uitkering over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 november 2019, een terugvordering van €37.989,12 na verrekening, en een boete van €5.466,67 wegens schending van de inlichtingenplicht. Tevens werd de uitkering meerdere malen geschorst en gedeeltelijk ingetrokken. Appellant maakte op 4 mei 2021 bezwaar tegen de diverse besluiten. Na een deels gegrondverklaring in bezwaar legde het UWV een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De centrale juridische vraag was of het UWV terecht tot herziening, terugvordering en beboeting is overgegaan op basis van de onderzoeksresultaten. De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Het UWV had voldoende feitelijke en juridische grondslag om te oordelen dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door relevante inkomsten of activiteiten niet te melden. De terugvordering en de boete worden in stand gehouden. Appellant ontvangt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Centrale Raad en heeft geen precedentwerking voor bredere rechtsvragen.