Verzet tegen appelverbod CJIB-executie afgewezen door CRvB
ECLI:NL:CRVB:2026:1074, Centrale Raad van Beroep, 06-08-2026, 26/384 ONBEK-V
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De Raad verklaart het verzet ongegrond.
Kern van de zaak
Appellant verzet zich tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens een wettelijk appelverbod. De zaak betreft executiemaatregelen van het CJIB, waarbij appellant stelt dat de bestuursrechter zich ten onrechte onbevoegd verklaart en er geen effectieve rechtsbescherming bestaat.
Beslissing van de rechter
Het verzet is ongegrond verklaard: de Centrale Raad van Beroep wijst doorbreking van het wettelijk appelverbod af. De doorslaggevende reden is dat appellant geen evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen of eisen van een goede procesorde heeft aangetoond die een eerlijk proces zou uitsluiten; zijn argumenten zijn een herhaling van eerder aangevoerde gronden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande, vaste jurisprudentie over appelverbod-doorbreking toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact beperkt zich tot de individuele zaak en bevestigt slechts bestaand recht.
Belangrijkste punten
- 1Doorbreking van een wettelijk appelverbod (art. 8:104 lid 2 sub c Awb) is slechts mogelijk bij evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen of eisen van goede procesorde
- 2Appellants beroep op art. 6 EVRM (recht op effectieve rechtsbescherming) slaagt niet, nu de Raad geen evidente schending constateert
- 3Herhaling van in de verzetsprocedure bij de rechtbank reeds aangevoerde argumenten volstaat niet voor doorbreking van het appelverbod
- 4De onbevoegdverklaring van de bestuursrechter en het doorlopen van CJIB-executiemaatregelen leveren op zichzelf geen grond op voor appelverbod-doorbreking
- 5De uitspraak van de rechtbank betreft een art. 8:55 lid 7 Awb-uitspraak, waartegen hoger beroep wettelijk is uitgesloten
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strenge maatstaf voor doorbreking van wettelijke appelverboden in het bestuursrecht: louter het ontbreken van een bevoegde rechter of het voortduren van nadelige maatregelen is onvoldoende. Een beroep op art. 6 EVRM vereist een concrete, evidente schending en niet slechts een gestelde rechtsbeschermingsleemte.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat de CJIB-executiemaatregelen ongehinderd kunnen voortduren en hij via de bestuursrechtelijke weg geen verdere toetsing kan afdwingen. Hij zal zich eventueel tot de burgerlijke rechter moeten wenden voor geschillen over de beslagvrije voet en de rechtmatigheid van executie.
Onderwerp-impact
Voor personen die geconfronteerd worden met CJIB-executies en beslagen, benadrukt deze uitspraak dat de bestuursrechtelijke rechtsbescherming beperkt is en dat alternatieven zoals de civiele rechter overwogen moeten worden bij geschillen over de beslagvrije voet en executierechtmatigheid.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreft een verzetprocedure tegen een eerdere beslissing van de Raad zelf, waarbij het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk was verklaard op grond van een wettelijk appelverbod (artikel 8:104 lid 2 sub c Awb). De zaak heeft betrekking op executiemaatregelen van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), waarbij appellant stelt dat noch de bestuursrechter noch enige andere rechter de rechtmatigheid van de executie toetst. Appellant voerde in verzet aan dat dit appelverbod doorbroken moet worden, omdat er sprake zou zijn van een hybride rechtsverhouding, van het ontbreken van effectieve rechtsbescherming in strijd met artikel 6 EVRM, en van onevenredig nadeel doordat executiemaatregelen ongestoord doorgaan. Ook wenste hij toetsing van de vorderingen van het CJIB, correctie van de beslagvrije voet en beëindiging van wat hij als onrechtmatige maatregelen kwalificeert. De Centrale Raad van Beroep stelt voorop dat doorbreking van een wettelijk appelverbod slechts mogelijk is indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn. Die situatie doet zich hier niet voor. De Raad oordeelt dat appellant in zijn verzetschrift slechts de argumenten herhaalt die hij reeds bij de rechtbank in verzet had aangevoerd, en dat deze argumenten geen grond bieden voor het aannemen van een zodanige evidente schending. Het verzet wordt ongegrond verklaard. De uitspraak illustreert de hoge drempel voor appelverbod-doorbreking en verduidelijkt dat het gestelde ontbreken van een bevoegde rechter en het voortduren van nadelige maatregelen op zichzelf niet volstaan om deze drempel te halen. Appellant zal zijn rechtsbescherming elders, bijvoorbeeld bij de civiele rechter, moeten zoeken.