Bijzondere bijstand voor intakekosten bewindvoerder alsnog toegewezen
ECLI:NL:CRVB:2026:1013, Centrale Raad van Beroep, 28-07-2026, 21/3947 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten. Terugwerkende kracht. Onjuiste toepassing tegenwettelijk beleid. Zelf voorzien. Partijen zijn verdeeld over de vraag van welke datum of data moet worden uitgegaan voor het bepalen van de tijdigheid van de aanvraag. In dit geval gaat het om de situatie van vervanging van een bewindvoerder waarbij de kantonrechter de ingangsdatum van de benoeming heeft bepaald op 1 december 2019. Dat betekent dat die datum volgens de beleidsregel de ingangsdatum is voor de aanvraag van bijzondere bijstand voor de intakekosten. De aanvraag voor die kosten moet dus binnen drie maanden en één dag na die datum van 1 december 2019 door het college zijn ontvangen. Vaststaat dat de aanvraag op 18 februari 2020 en dus tijdig is ontvangen. De Raad is dan ook van oordeel dat het college de beleidsregel niet juist heeft toegepast.
Kern van de zaak
Appellante, een vrouw onder bewind, vroeg bijzondere bijstand aan voor de intakekosten van haar nieuwe bewindvoerder (€ 644,93) en eindrekening van de vorige bewindvoerder. Het college wees de aanvraag af wegens te late indiening: de aanvraag van 13 februari 2020 zou één dag over de drempelperiode van drie maanden en één dag na de beschikking van 14 november 2019 vallen.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, verklaart het beroep gegrond en herroept het afwijzingsbesluit voor wat betreft de intakekosten; appellante krijgt alsnog bijzondere bijstand van € 644,93. De doorslaggevende reden is dat de toepassing van de driemaandentermijn op de intakekosten de rechterlijke toets niet doorstaat; over de eindverantwoordingskosten is de uitkomst uit de beschikbare tekst niet volledig af te leiden.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele zaak over een relatief gering bedrag in het kader van de Participatiewet; de uitspraak heeft beperkte precedentwerking en ziet op toepassing van lokaal beleid, al geeft zij wel een signaal over de grenzen van strikte termijnhantering bij bijzondere bijstand.
Belangrijkste punten
- 1Het college hanteerde een beleid waarbij bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten alleen met terugwerkende kracht wordt verleend als de aanvraag uiterlijk drie maanden en één dag na de beschikking tot benoeming is ingediend.
- 2De aanvraag werd ingediend op 13 februari 2020, terwijl de beschikking dateerde van 14 november 2019; het college stelde dat de uiterste datum 15 februari 2020 was en de aanvraag daarmee te laat was.
- 3De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit voor zover het betrekking heeft op de intakekosten en kent bijzondere bijstand toe van € 644,93.
- 4De Raad veroordeelt het college in de proceskosten ten bedrage van € 3.736,-, wat wijst op een meerjarige procedure.
- 5De uitspraak is gedaan zonder nadere zitting na sluiting van het schriftelijk onderzoek.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een strikte beleidsmatige termijntoepassing bij bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten niet zonder meer stand houdt als de bijzondere omstandigheden van de zaak — zoals de wisseling van bewindvoerder op rechterlijk bevel — daartoe aanleiding geven. Bestuursorganen moeten bij het hanteren van terugwerkende-krachtbeleid de individuele omstandigheden voldoende meewegen.
Praktische impact
Appellante ontvangt alsnog € 644,93 bijzondere bijstand voor de intakekosten van haar nieuwe bewindvoerder en krijgt € 3.736,- aan proceskosten vergoed. Voor gemeenten betekent dit dat zij bij bewindvoerderswisselingen op last van de kantonrechter de termijnberekening zorgvuldig moeten onderbouwen.
Onderwerp-impact
Voor personen onder bewind met een laag inkomen verduidelijkt deze uitspraak dat bijzondere bijstand voor aan de bewindvoerderswissel verbonden kosten niet louter op een termijnoverschrijding van één dag mag worden afgewezen, zeker niet wanneer de wissel door de rechter is bevolen.
Samenvatting
Deze zaak draait om een vrouw die al geruime tijd onder bewind staat. In november 2019 ontsloeg de kantonrechter haar toenmalige bewindvoerder en benoemde een nieuw kantoor per 1 december 2019. Op 13 februari 2020 vroeg het nieuwe kantoor namens haar bijzondere bijstand aan op grond van de Participatiewet, onder meer voor de intakekosten (€ 644,93) en de eindrekening van de vorige bewindvoerder (€ 242,-). Het college van B&W wees de aanvraag af omdat het gemeentelijk beleid vereist dat bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten uiterlijk drie maanden en één dag na de beschikking van de rechtbank wordt aangevraagd. Volgens het college liep die termijn af op 15 februari 2020, zodat de aanvraag van 13 februari 2020 — op het eerste gezicht slechts twee dagen vóór die datum — te laat zou zijn binnengekomen. De rechtbank liet het afwijzingsbesluit in stand. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders, althans voor de intakekosten. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak, verklaart het beroep gegrond en herroept het primaire besluit voor zover het de intakekosten betreft. Appellante heeft daardoor recht op € 644,93 bijzondere bijstand. De Raad bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en veroordeelt het college tot vergoeding van € 3.736,- aan proceskosten, een bedrag dat wijst op een langdurige procedure. De uitkomst ten aanzien van de eindverantwoordingskosten van de vorige bewindvoerder blijkt uit de beschikbare tekst niet volledig; de vernietiging ziet expliciet op de intakekosten. De zaak illustreert dat een gemeente bij de toepassing van een beleidsmatige aanvraagtermijn oog moet houden voor de specifieke omstandigheden, met name wanneer een bewindvoerderswissel door de rechter is opgelegd en de daarmee samenhangende kosten dateren van kort voor het verstrijken van de termijn.