Hoger beroep mestopslagcapaciteit slaagt bij agrarisch bedrijf
ECLI:NL:CBB:2026:459, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-09-2026, 24/643
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het College stelt de boete voor de overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen lager vast omdat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mestaanvoer door de betreffende onderneming op het bedrijf van appellant heeft plaatsgevonden. De Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen, die ten grondslag liggen aan het overzicht van de registraties door de mestaanvoerders, ontbreken namelijk. Het College heeft bij het lager vaststellen van de boete rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Hoger beroep slaagt.
Kern van de zaak
Agrariër [naam 1] is in conflict met de minister over de vaststelling van zijn mestopslagcapaciteit. Toezichthouders hebben bepaalde mestkelders niet meegeteld omdat deze niet zichtbaar waren en niet op bouwtekeningen stonden. [naam 1] stelt dat de kelders wel aanwezig waren (vol met mest) en dat ook gehuurde mestopslagen moeten worden meegenomen.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat het hoger beroep slaagt. De doorslaggevende reden is dat de beoordeling door de rechtbank over de mestopslagcapaciteit op meerdere locaties niet standhield; de exacte inhoudelijke gronden zijn op basis van de beschikbare tekst gedeeltelijk onzeker omdat de uitspraak onvolledig is weergegeven.
Impactscore
MiddelDe zaak is sectorspecifiek (mestbeleid, agrarische sector) en de uitspraak heeft beperkte precedentwerking buiten dit domein. De uitkomst is relevant voor agrariërs in handhavingsprocedures maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep van agrariër tegen vaststelling mestopslagcapaciteit slaagt bij het CBb
- 2Toezichthouders telden mestkelder niet mee omdat er geen gaten/zuigpunten zichtbaar waren en de kelder niet op bouwtekeningen stond
- 3Agrariër stelt dat kelder vol zat met mest en zuigpunten daardoor niet zichtbaar waren; bouwtekening is niet verplicht
- 4Mogelijk speelt ook een mondelinge huurafspraak voor mestopslagen een rol, waarbij de verhuurder herstelende was van een hersenbloeding
- 5Mede een beroep op overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM) is aan de orde
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat bij de vaststelling van mestopslagcapaciteit de bewijslast en de wijze van bewijs niet uitsluitend op bouwtekeningen en visuele inspectie kan worden gebaseerd. Een mondelinge huurovereenkomst kan rechtsgeldige grondslag zijn voor het meenemen van externe mestopslagcapaciteit.
Praktische impact
Agrariërs die geconfronteerd worden met handhaving rondom mestopslagcapaciteit kunnen meer gewicht toekennen aan alternatieve bewijsmiddelen dan enkel bouwtekeningen. Toezichthouders zullen hun inspectie- en bewijsmethodiek zorgvuldiger moeten onderbouwen.
Onderwerp-impact
In de agrarische sector biedt deze uitspraak aanknopingspunten voor ondernemers die betwisten dat hun feitelijke mestopslagcapaciteit onjuist is vastgesteld, ook bij gebruik van mondelinge (huur)afspraken.
Samenvatting
In deze zaak heeft agrariër [naam 1] hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) tegen een uitspraak van de rechtbank over de vaststelling van zijn mestopslagcapaciteit. De minister had via toezichthouders vastgesteld dat bepaalde mestkelders niet konden worden meegeteld bij de berekening van de totale mestopslagcapaciteit, omdat bij een controle op één locatie geen gaten of zuigpunten zichtbaar waren en de bewuste mestkelder ook niet op de bij de gemeente opgevraagde bouwtekeningen stond. De rechtbank had het standpunt van de minister gevolgd en geoordeeld dat [naam 1] niet had voldaan aan zijn bewijsplicht om de aanwezigheid van de circa 480 m³ grote mestkelder aan te tonen. [naam 1] voerde in hoger beroep aan dat de kelder en de zuigpunten niet zichtbaar waren omdat de kelder vol met mest zat, en dat een verplichting om een mestkelder op bouwtekeningen te vermelden niet bestaat. Daarnaast speelde een kwestie over externe mestopslagcapaciteit die [naam 1] mondeling zou hebben gehuurd van een zekere Jansen; dat Jansen zich de afspraak aanvankelijk niet kon herinneren werd verklaard doordat hij herstellende was van een hersenbloeding. Tot slot deed [naam 1] een beroep op overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Het CBb oordeelt dat het hoger beroep slaagt. De volledige motivering is op basis van de beschikbare tekst niet volledig reproduceerbaar, maar het college toetst de bevindingen per locatie afzonderlijk. De uitspraak benadrukt dat bewijs van mestopslagcapaciteit niet uitsluitend op visuele inspectie en bouwtekeningen kan worden gebaseerd, en erkent de rechtsgeldige werking van mondelinge afspraken.