Melkveebedrijf krijgt geen hoger de-minimisplafond subsidie
ECLI:NL:CBB:2026:451, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-09-2026, 25/646
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Subsidie behoud graslandareaal 2024. Plafond van € 20.000,- over een periode van drie jaar. Verhoging plafond Verordening (EU) 1408/2023. De minister hoefde niet dit verhoogde plafond toe te passen.
Kern van de zaak
Een melkveebedrijf ontving een subsidie waarop een de-minimisplafond van €20.000 werd toegepast. Het bedrijf stelde dat bij de vaststelling in 2025 het verhoogde plafond van €50.000 (per 16 december 2024) had moeten gelden. De minister handhaafde het lagere plafond, waarop het bedrijf beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard. Het College oordeelde dat de Regeling expliciet verwijst naar het de-minimisplafond zoals dat gold op 9 juli 2024 (€20.000), en dat de latere verhoging van het plafond geen aanspraak geeft aan ondernemingen omdat het plafond slechts de grens aangeeft tot welk bedrag steunmaatregelen zijn vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting voor de lidstaat.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een sectorspecifieke subsidiekwestie met een beperkte doelgroep (melkveehouderij) en past bestaande regelgeving toe zonder nieuwe rechtsnormen te ontwikkelen; de precedentwaarde is beperkt tot vergelijkbare gevallen met een tijdgebonden verwijzing in de Regeling.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 2.19.4 lid 4 van de Regeling koppelt het toepasselijke de-minimisplafond expliciet aan het bedrag zoals dat gold op 9 juli 2024 (€20.000).
- 2De verhoging van het de-minimisplafond naar €50.000 per 16 december 2024 geeft ondernemingen geen recht op het hogere bedrag.
- 3Het de-minimisplafond regelt de aanmeldingsverplichting van de lidstaat, niet de individuele aanspraak van ondernemingen.
- 4Het feit dat het verleningsbesluit vermeldde dat de definitieve hoogte nog vastgesteld moest worden, maakt niet dat de aanspraak pas bij het vaststellingsbesluit is ontstaan.
- 5Geen proceskostenvergoeding toegewezen aan het melkveebedrijf.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een tijdgebonden verwijzing in een nationale subsidieregeling naar een specifieke versie van de EU de-minimisverordening prevaleert boven latere verhogingen van het plafond, en dat het de-minimisplafond geen subjectief recht voor ondernemingen schept.
Praktische impact
Melkveebedrijven en andere landbouwondernemingen die in 2024 subsidie ontvingen kunnen niet profiteren van de verhoging van het de-minimisplafond naar €50.000 voor reeds verleende subsidies; de subsidie blijft beperkt tot het eerder vastgestelde bedrag.
Onderwerp-impact
Landbouwbedrijven die rekenden op toepassing van het verhoogde EU de-minimisplafond bij subsidievaststelling komen bedrogen uit; dit heeft directe gevolgen voor de financiële planning van agrarische ondernemers die afhankelijk zijn van overheidssteun.
Samenvatting
Een melkveebedrijf ontving een subsidie op grond van een nationale subsidieregeling waarbij een de-minimisplafond van €20.000 werd gehanteerd, conform artikel 3 lid 2 van de landbouw de-minimisverordening zoals die gold op 9 juli 2024. Nadat op 16 december 2024 het Europese de-minimisplafond voor de landbouwsector werd verhoogd naar €50.000, betoogde het melkveebedrijf dat dit verhoogde plafond had moeten worden toegepast bij de vaststelling van de subsidie in mei 2025. Het bedrijf voerde aan dat de subsidieaanspraak pas bij het vaststellingsbesluit was ontstaan, zodat het hogere plafond van toepassing was. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verwierp dit betoog. De Regeling bevat een expliciete tijdgebonden verwijzing naar het plafond zoals dat gold op 9 juli 2024, namelijk €20.000. Zowel bij de verlening (oktober 2024) als bij de vaststelling (mei 2025) gold op grond van de Regeling dit lagere plafond. Het College benadrukte bovendien dat het de-minimisplafond in de EU-verordening geen aanspraak voor individuele ondernemingen schept: het plafond regelt uitsluitend de vrijstelling van de aanmeldingsverplichting die voor lidstaten geldt op grond van artikel 108 lid 3 VWEU. De verhoging van het plafond gaat daarmee niet boven de nationale Regeling, die immers zelf al bepaalt wat het toepasselijke subsidiemaximum is. Ook het argument over onmiddellijke werking van de verhoogde verordening werd door het College niet gehonoreerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak maakt duidelijk dat tijdgebonden verwijzingen in subsidieregels beschermend werken tegen latere Europese beleidswijzigingen ten gunste van subsidieontvangers.