Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:CBB:2026:436, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-09-2026, 26/620
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Kern van de zaak
Een verzoeker diende een verzoek om voorlopige voorziening in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven tegen een besluit van de staatssecretaris. Ondanks meerdere herinneringen per post en e-mail betaalde verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig vóór de zitting van 2 september 2026.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat verzoeker het griffierecht niet tijdig heeft voldaan en er geen omstandigheden zijn vastgesteld op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker in verzuim is geweest.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een standaard procedurele niet-ontvankelijkverklaring wegens onbetaald griffierecht zonder nieuwe rechtsvragen; de juridische en maatschappelijke impact is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 8:82 jo. 8:41 Awb is tijdige betaling van griffierecht een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor een verzoek om voorlopige voorziening.
- 2Verzoeker ontving een nota per gewone post en twee herinneringen per e-mail, maar betaalde het griffierecht niet voor aanvang van de zitting op 2 september 2026.
- 3De uitzondering op niet-ontvankelijkheid (geen redelijk verwijt aan indiener) is niet van toepassing nu verzoeker herhaaldelijk en tijdig is geïnformeerd.
- 4Verzoeker is niet verschenen ter zitting, hetgeen bijdraagt aan het ontbreken van een rechtvaardiging voor het verzuim.
- 5De uitspraak is procedureel van aard; inhoudelijke beoordeling van het onderliggende geschil heeft niet plaatsgevonden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat niet-tijdige betaling van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij de indiener aantoonbaar niet in verzuim kan worden geacht; meerdere herinneringen sluiten dit verweer in beginsel uit.
Praktische impact
Voor verzoeker betekent dit dat zijn verzoek om een tijdelijke maatregel inhoudelijk niet is beoordeeld; hij zal het griffierecht alsnog moeten betalen bij een eventueel nieuw verzoek of in de bodemprocedure.
Onderwerp-impact
In procedures bij het CBb tegen besluiten van de staatssecretaris dienen verzoekers strikt te letten op de griffierechtplicht; nalatigheid blokkeert toegang tot de rechter ongeacht de inhoudelijke merites.
Samenvatting
In deze zaak bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven had een verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de staatssecretaris. Kort na ontvangst van het verzoekschrift werd door de griffier een nota voor griffierecht per gewone post verzonden, met daarin de mededeling dat betaling vóór aanvang van de zitting diende te geschieden. Op 31 augustus 2026 ontving verzoeker per e-mail de uitnodiging voor de zitting, waarbij wederom op de griffierechtplicht werd gewezen. Omdat op 1 september 2026 nog geen betaling was ontvangen, volgde diezelfde dag nog een herinneringsmail. Desondanks was het griffierecht op de zittingsdag van 2 september 2026 niet bijgeschreven op de bankrekening van het gerecht en ook niet ter griffie gestort. Verzoeker verscheen evenmin ter zitting. De voorzieningenrechter heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De juridische grondslag hiervoor is artikel 8:82, derde lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht: niet of niet tijdig betaald griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Van die uitzondering is in dit geval geen sprake. Verzoeker is via meerdere kanalen en op meerdere momenten tijdig en duidelijk geïnformeerd over zijn betalingsverplichting en de uiterste termijn. Er zijn geen omstandigheden gebleken die het verzuim verschoonbaar maken. De uitspraak is puur procedureel van aard en laat de inhoudelijke discussie over het onderliggende besluit volledig onbesproken. De zaak illustreert dat strikte naleving van de griffierechtregels een absolute toegangseis tot de rechter vormt, ook in spoedprocedures.