Beroep coronasteun ongegrond: herziening terecht geweigerd
ECLI:NL:CBB:2026:434, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-08-2026, 25/799 en 25/800
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 27 augustus 2026. Beroep ongegrond. De minister heeft het herzieningsverzoek terecht afgewezen gezien er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
Kern van de zaak
Een onderneming diende op 27 december 2024 een herzieningsverzoek in bij de minister van Economische Zaken om eerder afgewezen coronasubsidieaanvragen (Q1 en Q2 2022) opnieuw te laten beoordelen. De onderneming wenste in feite een integrale herbeoordeling van alle relevante kwartalen met maatwerk, zoals bedoeld in de Kamerbrief van minister Keijzer van 26 februari 2021. De minister weigerde herziening en de onderneming ging in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Beslissing van de rechter
Het CBb verklaart de beroepen ongegrond. De minister heeft het herzieningsverzoek terecht beperkt uitgelegd tot Q1 en Q2 2022, nu het verzoek geen aanwijzing bevatte voor een bredere integrale beoordeling, er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren, en de besluiten niet evident onredelijk waren. Bovendien kon een integrale maatwerkbeoordeling over alle kwartalen sowieso niet worden gehonoreerd, omdat de staatsteunuitzondering niet meer gold en de subsidieregelingen al gesloten waren.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak over herzieningsverzoeken en subsidierecht toe op een individueel geval. Er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd en de praktische impact reikt niet verder dan vergelijkbare individuele coronasteunzaken.
Belangrijkste punten
- 1Het herzieningsverzoek werd terecht beperkt uitgelegd tot Q1 en Q2 2022, nu het verzoek daartoe geen bredere strekking had.
- 2Herziening vereist nieuwe feiten of omstandigheden, of evident onredelijke besluiten; daarvan was geen sprake.
- 3Een integrale maatwerkbeoordeling over alle kwartalen was niet mogelijk omdat de staatssteunuitzondering en de subsidieregelingen inmiddels waren vervallen.
- 4De onderneming had eerder en duidelijker om steun over alle kwartalen moeten verzoeken.
- 5De minister heeft zorgvuldig gehandeld en hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat herzieningsverzoeken in het subsidierecht strikt worden uitgelegd op basis van de tekst van het verzoek, en dat een integrale herbeoordeling van vervallen subsidieregelingen niet kan worden afgedwongen. Dit stelt duidelijke grenzen aan de reikwijdte van herzieningsverzoeken na sluiting van subsidieregelingen.
Praktische impact
Ondernemers die coronasubsidie misliepen, kunnen na sluiting van de subsidieregelingen en het vervallen van de staatssteunuitzondering geen integrale maatwerkbeoordeling meer afdwingen. Tijdig en volledig formuleren van subsidie- en herzieningsverzoeken is essentieel.
Onderwerp-impact
Voor bedrijven die aanspraak wilden maken op coronasteunmaatregelen (TVL/NOW), bevestigt deze uitspraak dat de deur voor heroverweging definitief gesloten is als subsidieloketten dicht zijn en de rechtsbasis is vervallen.
Samenvatting
Een ondernemer verzocht op 27 december 2024 de minister van Economische Zaken om herziening van twee besluiten waarbij zijn aanvragen voor coronasubsidie over Q1 en Q2 2022 waren afgewezen. De minister legde het herzieningsverzoek op basis van de tekst ervan beperkt uit en beoordeelde uitsluitend die twee besluiten opnieuw. Nu er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren en de besluiten ook niet evident onredelijk waren, weigerde de minister herziening. De onderneming bestreed dit bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven en gaf ter zitting aan dat zij eigenlijk een integrale herbeoordeling van alle relevante kwartalen beoogde, met toepassing van maatwerk conform de Kamerbrief van minister Keijzer van 26 februari 2021. Het CBb oordeelt dat de minister het herzieningsverzoek terecht heeft uitgelegd als uitsluitend betrekking hebbend op Q1 en Q2 2022, omdat het verzoek geen aanwijzing bood voor een bredere intentie. Herziening was terecht geweigerd bij gebrek aan nieuwe feiten, omstandigheden of evidente onredelijkheid van de eerdere besluiten. Ter zitting bevestigde de onderneming zelfs dat die twee besluiten inhoudelijk kloppen. Daarnaast overweegt het CBb dat een integrale maatwerkbeoordeling over alle kwartalen hoe dan ook niet gehonoreerd had kunnen worden. De staatssteunuitzondering die de grondslag vormde voor de coronasteunmaatregelen was ten tijde van het herzieningsverzoek al vervallen, en de subsidieregelingen waren al geruime tijd gesloten. De ondernemer had eerder en duidelijker om steun over alle kwartalen moeten verzoeken; het te laat en onvolledig formuleren van het verzoek komt voor zijn risico. Het CBb verklaart beide beroepen ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat herzieningsverzoeken in het subsidierecht strikt naar hun tekst worden uitgelegd en dat na sluiting van subsidieregelingen en het vervallen van de staatssteunbasis geen recht bestaat op een integrale herbeoordeling.