Boete slachterij verlaagd na dispuut over karkas-verontreiniging
ECLI:NL:CBB:2026:393, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-08-2026, 24/563
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het hoger beroep slaagt niet. De minister heeft terecht een boete aan de slachterij opgelegd wegens fecale bezoedeling van een karkas. Er is sprake van een overtreding van punt 7 en 10 van Hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III, van Verordening 853/2004. Er bestaat geen aanleiding aan de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen. Overschrijding redelijke termijn.
Kern van de zaak
Slachterij [naam 1] betwist een opgelegde boete wegens aangetroffen verontreiniging op een varkenskarkas. Zij stelt dat de vervuiling niet tijdens het uitslachten is ontstaan, maar al ingebrand was vanuit de schroeifase. De minister handhaafde het boetebesluit, waarop de slachterij in beroep en hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de vastgestelde overtreding, maar vernietigt het boetebesluit voor zover het de hoogte van de boete betreft. De boete wordt herroepen en vastgesteld op € 2.375,-, omdat de hoogte van de oorspronkelijke boete niet standhield.
Impactscore
LaagHet betreft een sectorspecifieke, feitelijk gedreven uitspraak over een individuele boete in de vleessector zonder bredere rechtsvragen. De juridische en maatschappelijke impact is beperkt tot de directe betrokkene en vergelijkbare handhavingszaken in slachthuizen.
Belangrijkste punten
- 1De overtreding zelf (aangetroffen verontreiniging op karkas) wordt bewezen geacht; de verweren van de slachterij over ingebrande vervuiling zijn onvoldoende onderbouwd.
- 2De minister heeft overtuigend toegelicht dat het reinigingsproces aan het einde van de vuile slachthal zodanig intensief is dat ingebrande vervuiling niet op een karkas kan achterblijven.
- 3De stelling dat de onderkant van de poot onbereikbaar is voor fecale bezoedeling wordt verworpen; spatten via de schaal tijdens uitslachten en de hang van het karkas maken bezoedeling mogelijk.
- 4Het hoger beroep slaagt uitsluitend op het punt van de hoogte van de boete; de boete wordt door het College zelf vastgesteld op € 2.375,-.
- 5Het College treedt met zijn uitspraak in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit (finale geschilbeslechting).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert dat bestuursrechters bij boetes in de vleessector zelfstandig de hoogte kunnen matigen en vaststellen via finale geschilbeslechting, zonder terugverwijzing naar het bestuursorgaan. De bewijslast ten aanzien van de aard van de verontreiniging rust op de slachterij die het besluit betwist.
Praktische impact
Voor slachterijen betekent dit dat het aanvechten van de aard van een verontreiniging zonder overtuigend bewijs weinig kans van slagen heeft, maar dat de hoogte van opgelegde boetes wel succesvol kan worden betwist. De uiteindelijke boete voor [naam 1] is vastgesteld op € 2.375,-.
Onderwerp-impact
In de voedselveiligheidssector bevestigt deze uitspraak dat toezichthouders mogen uitgaan van fecale bezoedeling tijdens het uitslachten, tenzij de exploitant het tegendeel aannemelijk maakt. Intensieve reinigingsprocessen in slachthuizen gelden als afdoende weerlegging van alternatieve verklaringen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep van slachterij [naam 1] tegen een boetebesluit van de minister wegens het aantreffen van verontreiniging op de poot van een varkenskarkas tijdens een inspectie. De slachterij betwistte de aard van de vervuiling: volgens haar ging het niet om fecale bezoedeling tijdens het uitslachten, maar om tijdens het schroeien ingebrande vervuiling. Zij wees daarvoor op de kleur en structuur van de verontreiniging op de foto bij het rapport van bevindingen, en op de stelling dat de onderkant van de poot anatomisch onbereikbaar zou zijn voor fecale bezoedeling. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven volgt de rechtbank in het oordeel dat de overtreding terecht is vastgesteld. De minister had ter zitting overtuigend toegelicht dat het intensieve reinigingsproces aan het einde van de vuile slachthal het achterblijven van ingebrande vervuiling op een karkas uitsluit. [naam 1] slaagde er niet in deze verklaring te ontkrachten. Ook de stelling over de onbereikbaarheid van de poot werd verworpen: de minister legde uit dat karkassen niet altijd strak hangen en dat bezoedeling via spatten onder het karkas tijdens het uitslachten mogelijk is. Het hoger beroep slaagt echter op het punt van de hoogte van de boete. Het College vernietigt het bestreden besluit op dit onderdeel, herroept het boetebesluit voor zover het de hoogte betreft en stelt de boete zelf vast op € 2.375,-. Het College treedt daarmee in de plaats van het vernietigde gedeelte van het besluit, wat finale geschilbeslechting oplevert zonder verdere terugverwijzing. De uitspraak is van beperkte precedentwerking maar bevestigt dat slachterijen alternatieve verklaringen voor verontreinigingen met gedegen bewijs moeten onderbouwen, terwijl de hoogte van boetes wel vatbaar is voor rechterlijke toetsing en bijstelling.