Slachthuis krijgt geen boetevermindering na afspoelen fecale bezoedeling
ECLI:NL:CBB:2026:392, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-08-2026, 24/688
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het hoger beroep slaagt niet. De minister heeft terecht een boete aan de slachterij opgelegd wegens fecale bezoedeling van een karkas. Er is sprake van een overtreding van punt 7 en 10 van Hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III, van Verordening 853/2004. De bezoedeling is door een medewerker afgespoeld met water. Daarmee heeft de slachterij de bezoedeling niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.
Kern van de zaak
Slachthuis [naam 1] ontving een boete van de toezichthouder wegens het met water afspoelen van fecale bezoedeling op karkassen, in plaats van bijsnijden. Het bedrijf ging in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven en vroeg om matiging van de boete, stellende dat het een impulsieve actie van één werknemer met goede intenties betrof.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de boete wordt niet gematigd. Het College oordeelt dat de verantwoordelijkheid voor naleving van hygiëneregels bij het slachthuis ligt, en dat de impulsieve aard van de handeling en de goede bedoelingen van de werknemer niet afdoen aan de risico's voor de volksgezondheid noch aan de eigen werkinstructies die het bedrijf zelf overtrad.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande rechtspraak over artikel 5:46 Awb en ondernemersverantwoordelijkheid bij voedselveiligheid; zij bevestigt geldend recht zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden en heeft beperkte precedentwaarde buiten de slachtsector.
Belangrijkste punten
- 1De feitelijke waarnemingen van de toezichthouder worden door [naam 1] niet betwist; ook de kwalificatie als overtreding staat in hoger beroep niet meer ter discussie.
- 2Matiging op grond van artikel 5:46 lid 3 Awb wegens bijzondere omstandigheden wordt afgewezen.
- 3Het slachthuis is zelf verantwoordelijk voor directe verwijdering van zichtbare verontreiniging door bijsnijden of gelijkwaardige behandeling.
- 4De handelwijze was bovendien in strijd met de eigen werkinstructies van [naam 1], hetgeen de verantwoordelijkheid van de onderneming onderstreept.
- 5Het afspoelen van fecale bezoedeling met water levert reële risico's voor de volksgezondheid op, ongeacht de intentie van de betrokken medewerker.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij voedselveiligheidsverplichtingen in slachthuizen de ondernemersverantwoordelijkheid zwaar weegt en dat subjectieve factoren zoals impulsiviteit of goede bedoelingen van werknemers in beginsel onvoldoende zijn voor boetevermindering ex artikel 5:46 lid 3 Awb.
Praktische impact
Slachthuizen en andere voedselverwerkende bedrijven kunnen er niet op rekenen dat een eenmalige, onbedoelde overtreding door een werknemer leidt tot matiging van een boete; zij dienen aantoonbare handhaving van eigen werkinstructies te waarborgen.
Onderwerp-impact
Voor de voedsel- en slachtsector onderstreept deze uitspraak dat hygiëneprotocollen strikt nageleefd moeten worden en dat bedrijven aansprakelijk blijven voor handelingen van hun personeel, ook bij afwezigheid van opzet.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een slachthuis recht had op matiging van een bestuurlijke boete die was opgelegd wegens het met water afspoelen van fecale bezoedeling op karkassen, in plaats van het voorgeschreven bijsnijden. De toezichthouder legde de boete op na eigen waarnemingen die door het slachthuis niet werden betwist. In hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven betwistte [naam 1] evenmin nog de kwalificatie van de gedraging als overtreding, maar betoogde zij dat de boete gematigd diende te worden omdat de handeling een impulsieve reactie was van één werknemer, die met de bedoeling handelde om besmetting van belendende karkassen te voorkomen. Het College verwierp dit betoog. Onder verwijzing naar artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht oordeelde het College dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die matiging rechtvaardigen. De verantwoordelijkheid voor onmiddellijke en correcte verwijdering van zichtbare verontreiniging rust op het slachthuis zelf. Die verantwoordelijkheid wordt niet verminderd door de impulsiviteit of goede intenties van de betrokken medewerker. Daarbij woog het College mee dat de gevolgde handelwijze ook strijdig was met de eigen werkinstructies die [naam 1] aan haar personeel had gegeven, hetgeen aantoont dat het bedrijf zelf wist dat afspoelen niet de juiste procedure was. Ten slotte benadrukte het College dat het afspoelen van fecale bezoedeling reële risico's voor de volksgezondheid oplevert, ongeacht de intentie waarmee dit gebeurde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak, die het boetebesluit in stand had gelaten, werd bevestigd. De uitspraak herbevestigt dat in de voedselveiligheidssector ondernemers een strenge verantwoordelijkheid dragen voor het handelen van hun werknemers, en dat subjectieve factoren bij bestuurlijke boetes slechts in uitzonderlijke gevallen tot matiging leiden.