Tijdelijke ontheffing broodjeswinkel nachtopenstelling rechtmatig bevonden
ECLI:NL:CBB:2026:391, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-08-2026, 25/641
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ontheffing van de Winkeltijdenwet voor bepaalde tijd gerechtvaardigd.
Kern van de zaak
Broodjeswinkel [naam 1] aan de Leidsestraat in een stadscentrum vecht de beperkte geldigheidsduur van haar ontheffing voor late avond- en nachtopenstelling aan. Het college van b en w verleende de ontheffing op grond van de Winkeltijdenverordening maar beperkte de duur ervan wegens openbare orde, veiligheid en bescherming van het woon- en leefklimaat.
Beslissing van de rechter
Het beroep van [naam 1] is ongegrond verklaard; de tijdelijke ontheffing is rechtmatig. De doorslaggevende reden is dat de beperkte duur van de ontheffing gerechtvaardigd wordt door dwingende redenen van algemeen belang in de zin van de Dienstenrichtlijn (openbare orde, veiligheid en stedelijk milieu), en proportioneel is.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie (CBB 2021) en past deze toe op een individueel geval zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de bredere precedentwerking is daarmee beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 11 lid 1 sub c Dienstenrichtlijn en artikel 33 Dienstenwet geldt als hoofdregel dat vergunningen geen beperkte geldigheidsduur hebben, tenzij een dwingende reden van algemeen belang dit rechtvaardigt.
- 2Bescherming van openbare orde, veiligheid en het stedelijk woon- en leefklimaat worden aanvaard als dwingende redenen van algemeen belang ex artikel 4 sub 8 Dienstenrichtlijn.
- 3Het College sluit aan bij zijn eerdere uitspraak van 26 januari 2021 en oordeelt dat de beperkte duur geschikt en proportioneel is.
- 4Het feit dat de exploitant zelf geen overlast veroorzaakt en zelfs positief bijdraagt aan de omgeving, doet niet af aan de gerechtvaardigde belangen die spelen in het centrumgebied.
- 5De door [naam 1] aangehaalde rechtspraak over openingstijden als zodanig is niet van toepassing op de duur van de ontheffing; de gedane investeringen na overname medio 2023 leiden evenmin tot een ander oordeel.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn uit CBB 26 januari 2021 dat gemeenten bij ontheffingen voor nachtopenstelling in drukke stadscentra de beperkte duur mogen rechtvaardigen met openbare orde en leefklimaat, ook als de individuele exploitant geen aantoonbare overlast veroorzaakt. Dit biedt gemeenten een robuuste basis voor tijdelijke winkeltijdenontheffingen.
Praktische impact
Exploitanten van nachtwinkels of eetgelegenheden in stadscentra die investeren na een bedrijfsovername kunnen niet rekenen op een permanent ontheffingsrecht; zij blijven afhankelijk van periodieke herverlenging en moeten rekening houden met gebiedsgebonden overwegingen.
Onderwerp-impact
Voor de retail- en horecasector in drukke binnenstedelijke gebieden bevestigt deze uitspraak dat lokale overheden de nachtopenstelling via tijdelijke ontheffingen kunnen blijven reguleren zonder in strijd te komen met Europese dienstenregelgeving.
Samenvatting
Deze zaak betreft een broodjeswinkel in het centrum van een Nederlandse stad die een ontheffing had aangevraagd om in de late avond en nacht geopend te mogen blijven op grond van de lokale Winkeltijdenverordening. Het college van burgemeester en wethouders verleende de ontheffing, maar beperkte de geldigheidsduur ervan. De exploitant kon zich hier niet in vinden en stelde beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, onder meer met het argument dat zij zelf geen overlast veroorzaakt en zelfs een positieve bijdrage levert aan de omgeving, en dat zij na een overname medio 2023 aanzienlijke investeringen had gedaan. De centrale juridische vraag was of de beperkte duur van de ontheffing verenigbaar is met artikel 11 lid 1 sub c van de Dienstenrichtlijn en artikel 33 van de Dienstenwet, die als uitgangspunt hanteren dat vergunningen geen beperkte geldigheidsduur mogen hebben tenzij een dwingende reden van algemeen belang dit rechtvaardigt. Het College verklaart het beroep ongegrond. Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 26 januari 2021 oordeelt het College dat de bescherming van de openbare orde, de veiligheid en het stedelijk woon- en leefklimaat dwingende redenen van algemeen belang vormen in de zin van artikel 4 sub 8 van de Dienstenrichtlijn. Deze belangen spelen in het centrumgebied waar de broodjeswinkel is gevestigd, ongeacht het individuele gedrag van de exploitant. De beperkte duur is bovendien geschikt en proportioneel: zij gaat niet verder dan noodzakelijk. De door de exploitant aangehaalde rechtspraak ziet op openingstijden als zodanig en niet op de duur van ontheffingen, en is dus niet relevant. De gedane investeringen na bedrijfsovername bieden evenmin grond voor een ander oordeel. De uitspraak consolideert daarmee de bestaande gemeentelijke bevoegdheid om nachtopenstelling in drukke stadscentra te reguleren via tijdelijke, periodiek te verlengen ontheffingen.