CBb rechtvaardigt beperkte kennisneming persoonsgegevens bewoners
ECLI:NL:CBB:2026:388, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20-08-2026, 24/718
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)8:29 mededeling is gerechtvaardigd. Het gaat om stukken die persoonsgegevens van bewoners bevatten. Kennisneming daarvan kan tot onevenredig nadeel leiden en een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer tot gevolg hebben. Ook belang van ACM meegewogen dat zij informatie aangeleverd krijgt voor een goede uitoefening van haar taken. Alle partijen al bij voorbaat toestemming gegeven. Het College zal dus mede op grondslag van de vertrouwelijke stukken uitspraak doen.
Kern van de zaak
De ACM heeft stukken ingediend met persoonsgegevens van bewoners en verzocht om beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 Awb. Een rechter-commissaris moest beoordelen of deze beperking gerechtvaardigd was, waarbij het belang van gelijke informatiepositie van partijen werd afgewogen tegen privacybescherming van betrokkenen.
Beslissing van de rechter
De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Doorslaggevend is dat de stukken persoonsgegevens van bewoners bevatten waarvan kennisneming door alle partijen een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen zou opleveren.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele tussenbeslissing over beperkte kennisneming in één specifieke zaak. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de beslissing volgt de bestaande Awb-systematiek zonder afwijkende interpretaties.
Belangrijkste punten
- 1Beperking van kennisneming toegestaan op grond van artikel 8:29 lid 3 Awb
- 2Rechter-commissaris benoemd op grond van artikel 8:12 Awb om de beslissing te nemen
- 3Persoonsgegevens van bewoners vormen de kern van de vertrouwelijkheidsvraag
- 4Belang van ACM om in de toekomst informatie aangeleverd te krijgen is meegewogen
- 5Afweging tussen hoor en wederhoor/gelijke informatiepositie enerzijds en privacy anderzijds
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de artikel 8:29 Awb-procedure bij de ACM en illustreert hoe rechters-commissaris privacy van derde-betrokkenen kunnen laten prevaleren boven volledige openbaarheid van processtukken. Dit is een procedurele beslissing zonder breed precedentwerking, maar relevant voor bestuursrechtelijke toezichtszaken.
Praktische impact
Bewoners wier persoonsgegevens bij de ACM zijn aangeleverd, worden beschermd tegen ongewenste inzage door andere procespartijen. De ACM kan haar informatiepositie bij toekomstige handhaving beter waarborgen doordat informanten minder risico lopen op ongewenste openbaarmaking.
Onderwerp-impact
In toezichtzaken waarbij consumenten of bewoners klachten indienen bij de ACM, biedt deze beslissing grondslag voor structurele bescherming van hun persoonsgegevens in gerechtelijke procedures.
Samenvatting
In deze procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft de ACM stukken ingediend met daarin persoonsgegevens van bewoners, onder het verzoek dat uitsluitend het College van deze stukken kennis zou mogen nemen. Op grond van artikel 8:29 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) diende het College te beslissen of deze beperking van kennisneming gerechtvaardigd was. Het College heeft daartoe met toepassing van artikel 8:12 Awb een rechter-commissaris aangesteld. De rechter-commissaris stond voor een klassieke belangenafweging: enerzijds het beginsel van gelijke informatietogang en het recht van partijen om over dezelfde voor het beroep relevante gegevens te beschikken, anderzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners wier gegevens in de stukken zijn opgenomen, alsmede het institutionele belang van de ACM om ook in de toekomst de benodigde informatie van derden aangeleverd te krijgen. De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. De doorslaggevende overweging is dat de betreffende stukken persoonsgegevens van bewoners bevatten, waarvan volledige openbaarmaking aan alle procespartijen een onevenredig nadeel voor betrokkenen zou veroorzaken en een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer tot gevolg zou kunnen hebben. Daarnaast is meegewogen dat onbeperkte openbaarmaking de bereidheid van informanten om gegevens aan de ACM te verstrekken negatief kan beïnvloeden, wat de effectiviteit van haar toezichthoudende taak zou schaden. Deze procedurele tussenbeslissing is inhoudelijk beperkt van omvang maar illustreert de zorgvuldige toepassing van de artikel 8:29 Awb-procedure in ACM-toezichtszaken, waarbij privacybescherming van derde-betrokkenen zwaar weegt.