CBb verlaagt mestboetes wegens overschrijding redelijke termijn
ECLI:NL:CBB:2026:383, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-08-2026, 24/126
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De maatschap is over de jaren 2019 en 2020 gecontroleerd op naleving van de gebruiksnormen en derogatievoorwaarden. Minister heeft besloten tot intrekking derogatievergunning en boetes opgelegd wegens overtreding van gebruiksnormen. Het College vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens verdere overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. De maatschap heeft niet met voldoende controleerbare bedrijfsspecifieke gegevens onderbouwd waarom de door de minister gehanteerde algemene methode van mestproductiebepaling in haar geval te hoog uitvalt. Verder slaagt het betoog van de maatschap niet dat in haar geval de gasvormige verliezen voor graasdieren groter zijn dan waar de minister vanuit is gegaan. Evenmin slaagt het betoog dat de voorraad vaste mest te hoog is vastgesteld. Ambtshalve heeft het College geoordeeld dat er aanleiding is voor aanvullende matiging van 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Kern van de zaak
Een maatschap (landbouwer) heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de minister waarbij boetes zijn opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen onder de Meststoffenwet in 2018 en 2019. De zaak betreft de hoogte van de opgelegde boetes en de vraag of de redelijke termijn voor berechting is overschreden.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens verdere overschrijding van de redelijke termijn, bevestigt de uitspraak voor het overige, en stelt de boetes opnieuw vast op respectievelijk € 2.603,16 (2018) en € 36.017,60 (2019). De doorslaggevende reden voor vernietiging is de (verdere) overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen een vaste jurisprudentielijn over de Meststoffenwet en redelijke termijn, en heeft geen nieuwe of richtinggevende rechtsontwikkeling. De impact beperkt zich tot de betrokken maatschap en bevestigt bestaand recht.
Belangrijkste punten
- 1Het gebruiksnormensysteem van de Meststoffenwet houdt een algeheel verbod op mestgebruik in, waarvan een landbouwer zich kan bevrijden door aan te tonen dat hij de gebruiksnormen niet heeft overschreden.
- 2De bewijslast ligt bij de landbouwer: hij moet met voldoende onderbouwd en betrouwbaar bewijs aannemelijk maken dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden.
- 3De jaarlijkse mestproductie van graasdieren wordt forfaitair bepaald op basis van het gemiddeld aantal aanwezige dieren vermenigvuldigd met wettelijke productienormen.
- 4De rechtbankuitspraak wordt vernietigd vanwege verdere overschrijding van de redelijke termijn, wat leidt tot matiging van de boetebedragen.
- 5De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 1.868,- en het griffierecht van € 559,- wordt terugbetaald aan de maatschap.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat overschrijding van de redelijke termijn in bestuurlijke boetezaken leidt tot matiging van de boete, en herhaalt de bewijslastverdeling bij gebruiksnormschendingen onder de Meststoffenwet.
Praktische impact
De maatschap profiteert van een (verdere) verlaging van de boetes als gevolg van de te lange doorlooptijd van de procedure, en ontvangt proceskosten vergoed.
Onderwerp-impact
Voor agrarische ondernemers benadrukt deze uitspraak het belang van een deugdelijke mestadministratie en de mogelijkheid om via alternatief bewijs gebruiksnormoverschrijding te weerleggen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de beoordeling van door de minister opgelegde bestuurlijke boetes aan een maatschap wegens vermeende overschrijding van de gebruiksnormen onder de Meststoffenwet in de jaren 2018 en 2019. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar uitsluitend vanwege verdere overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het CBb herhaalt zijn vaste rechtspraak dat het gebruiksnormensysteem van de Meststoffenwet uitgaat van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen. Een landbouwer kan dit verbod alleen omzeilen door aan te tonen dat hij geen van de toepasselijke gebruiksnormen heeft overschreden. De bewijslast hiervoor rust op de landbouwer zelf, die feiten en voldoende onderbouwd en betrouwbaar bewijs moet aanleveren. De wettelijke administratieverplichting speelt hierbij een centrale rol, al staat het de landbouwer vrij om ook met ander bewijs aan te tonen dat de normen niet zijn overschreden. Ten aanzien van de bepaling van de mestproductie geldt dat voor graasdieren forfaitaire productienormen worden gehanteerd op basis van het gemiddeld aantal aanwezige dieren. Voor melkvee en staldieren gelden afwijkende berekeningsmethoden. Vanwege de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn heeft het CBb de boetes opnieuw vastgesteld: € 2.603,16 voor 2018 en € 36.017,60 voor 2019. Daarnaast is de minister veroordeeld in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 1.868,- en dient het griffierecht van € 559,- te worden terugbetaald. De uitspraak treedt in de plaats van de vernietigde gedeelten van de bestreden besluiten.