Boete slachthuis verlaagd wegens overschrijding redelijke termijn
ECLI:NL:CBB:2026:382, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-08-2026, 24/328
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het hoger beroep slaagt niet. De minister heeft terecht een boete aan de slachterij opgelegd wegens fecale bezoedeling van een karkas. Er is sprake van een overtreding van punt 7 en 10 van Hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III, van Verordening 853/2004. Dat de bezoedelingen pas op het karkas terecht zouden zijn gekomen na de postmortemkeuring, vindt het College niet aannemelijk. Overschrijding redelijke termijn.
Kern van de zaak
Slachthuis [naam 1] ontving een boete van de minister wegens bezoedelingen op een karkas tijdens het slachtproces. Het bedrijf betwistte de overtreding en stelde dat de bezoedelingen pas na de postmortemkeuring waren ontstaan. De zaak bereikte het College van Beroep voor het bedrijfsleven via hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is deels gegrond verklaard: de overtreding zelf is bevestigd, maar de boete is gematigd tot € 2.375,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De doorslaggevende reden voor matiging is de te lange duur van de procedure.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste CBb-rechtspraak en heeft geen vernieuwende rechtsontwikkeling; de matiging wegens redelijke termijn is routinematig en de feiten zijn casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1De feitelijke waarnemingen van de toezichthouder zijn door [naam 1] niet betwist, waardoor het College hiervan uitgaat.
- 2Het College acht het niet aannemelijk dat bezoedelingen ná het slachtproces zijn ontstaan; een plausibele alternatieve verklaring ontbreekt.
- 3De minister was bevoegd een boete op te leggen; de rechtbank had het bestreden besluit terecht in stand gelaten voor wat betreft de overtreding.
- 4Wegens overschrijding van de redelijke termijn (art. 6 EVRM) wordt de boete gematigd conform vaste rechtspraak van het College.
- 5Het College herroept het boetebesluit partieel en stelt de boete zelf vast op € 2.375,-.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste CBb-rechtspraak over matiging van bestuurlijke boetes bij overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM. Voor de inhoudelijke beoordeling van bezoedelingen in het slachtproces geldt dat de ondernemer een plausibele alternatieve verklaring moet aandragen om het vermoeden van een overtreding te weerleggen.
Praktische impact
Slachthuizen dienen bij bezoedelingen op karkassen aannemelijk te maken hoe en wanneer deze zijn ontstaan; een niet-onderbouwde betwisting volstaat niet. De boetevermindering biedt [naam 1] enige financiële verlichting als compensatie voor de lange procesduur.
Onderwerp-impact
In de vleessector benadrukt deze uitspraak de verantwoordelijkheid van slachthuizen voor de hygiënische uitvoering van het slachtproces en de bewijslast bij het betwisten van waargenomen bezoedelingen door toezichthouders.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of slachthuis [naam 1] terecht een bestuurlijke boete had gekregen van de minister wegens bezoedelingen op een karkas tijdens het slachtproces. [naam 1] betwistte niet de feitelijke waarnemingen van de toezichthouder, maar stelde dat de bezoedelingen óf onzichtbaar waren vóór de postmortemkeuring, óf pas ná die keuring op het karkas terecht waren gekomen — bijvoorbeeld door een toevallige aanraking van een langslopende medewerker of toezichthouder. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verwierp dit verweer. Het College achtte het niet aannemelijk dat bezoedelingen op de elleboog én in een snijrand van het karkas op die wijze toevallig waren ontstaan. Tegenover de overtuigende redenering van de minister — dat de bezoedelingen niet anders dan tijdens het verwijderen van het maagdarmpakket konden zijn ontstaan — bracht [naam 1] geen plausibele alternatieve verklaring aan. Het College bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de minister bevoegd was de boete op te leggen en dat van een overtreding sprake was. De uitkomst van de procedure was echter deels gunstig voor [naam 1]. Het bedrijf verzocht om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het College honoreerde dit verzoek overeenkomstig zijn vaste rechtspraak en stelde de boete vast op € 2.375,-. Het boetebesluit werd op dit punt herroepen en de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De uitspraak illustreert dat in het levensmiddelentoezicht een ondernemer die een geconstateerde overtreding betwist, een concrete en aannemelijke alternatieve verklaring moet bieden. Tegelijkertijd bevestigt de zaak dat de redelijke termijn ook in het bestuursrechtelijke handhavingsrecht een relevante grond voor boetevermindering vormt.