JurispRadar
ECLI:NL:CBB:2026:335Middel52/100

Tillen pluimvee aan poten blijft verboden ondanks herziening EU-regels

ECLI:NL:CBB:2026:335, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21-07-2026, 25/285, 25/497, 25/498, 25/499, 25/501, 25/503, 25/504, 25/505 en 25/506

College van Beroep voor het bedrijfslevenUitspraak: 21 juli 2026Publicatie: 20 juli 2026
Procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer:25/285, 25/497, 25/498, 25/499, 25/501, 25/503, 25/504, 25/505 en 25/506
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Handhaving
Transport
Dierenwelzijn
Begunstigingstermijn
Handhaving
Pluimvee
Transportverordening

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Het College heeft in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CBB:2024:370) geoordeeld dat de eerdere handhavingsbesluiten gebrekkig waren en dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moest nemen. Dat heeft de staatssecretaris nu gedaan. In deze nieuwe besluiten zijn opnieuw lasten onder dwangsom opgelegd aan de bedrijven. De bedrijven kunnen zich hieraan houden door pluimvee niet aan de poten op te tillen, tenzij wordt voldaan aan een uitzonderingsvoorwaarde. Het College oordeelt dat de staatssecretaris de uitzonderingsvoorwaarde niet in lasten onder dwangsom had mogen opnemen, omdat hij het verbod in de Transportverordening onverkort moet handhaven en de handhaving van dit verbod, dat voor de hele Europese Unie geldt, effectief en afschrikkend moet zijn. Ook had de staatssecretaris geen geldigheidsduur in de lasten onder dwangsom mogen opnemen en had hij de maximale dwangsommen op een hoger bedrag moeten vaststellen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat andere lidstaten van de EU het optilverbod van pluimvee niet handhaven of dat het voor de bedrijven praktisch onmogelijk is om aan het verbod te voldoen. Handhaving is daarom niet onevenredig. Het College voorziet zelf en bepaalt dat de in de lasten onder dwangsom opgenomen uitzonderingsvoorwaarde en geldigheidsduur komen te vervallen en dat de maximale hoogte van de dwangsommen worden vastgesteld op € 60.000,-. Daarnaast bepaalt het College dat de bedrijven tot 1 januari 2027 de tijd krijgen om hun bedrijfsvoering hierop aan te passen.

Kern van de zaak

Meerdere pluimveebedrijven en dierenwelzijnsorganisatie Wakker Dier procedeerden tegen besluiten van de staatssecretaris over handhaving van het verbod op het tillen van pluimvee aan de poten. De bedrijven betoogden dat de huidige Transportverordening dit verbod niet beoogt en dat voorstellen tot herziening dit bevestigen.

Beslissing van de rechter

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart het beroep van Wakker Dier tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang na alsnog genomen besluiten. Ten aanzien van de overige beroepen handhaaft het College zijn eerdere oordeel van 4 juni 2024: het vangen van pluimvee door het aan de poten op te tillen is verboden op grond van de geldende verbodsbepaling in de Transportverordening.

52van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie en heeft directe gevolgen voor de pluimveesector en handhavingspraktijk, maar introduceert geen nieuw rechtsprincipe en is sectorspecifiek van aard.

Belangrijkste punten

  • 1Het tillen van pluimvee aan de poten blijft verboden op grond van de huidige EU-Transportverordening, conform eerdere uitspraak van 4 juni 2024.
  • 2Het voorstel tot herziening van de Transportverordening en amendementen van het Europees Parlement worden door de bedrijven aangevoerd als bewijs van een 'omissie', maar het College volgt dit standpunt niet.
  • 3De Britse wetswijziging die het verbod voor pluimvee uitsluit, wordt door bedrijven aangedragen als aanwijzing voor een ontwerpfout, doch dit argument is niet doorslaggevend.
  • 4Wakker Dier krijgt geen inhoudelijke uitspraak op het niet-tijdig-beslissen beroep, maar ontvangt wel proceskostenvergoeding en griffierecht omdat zij ten tijde van instellen belang had.
  • 5De begunstigingstermijn is gewijzigd vastgesteld en eindigt op 1 januari 2027.

Impactanalyse

Juridische impact

Het College bevestigt dat de huidige EU-Transportverordening het tillen van pluimvee aan de poten verbiedt, en dat toekomstige of buitenlandse regelgeving geen afdoende grond vormt om bestaande verboden niet te handhaven. Dit beperkt de ruimte voor bedrijven om op grond van toekomstig recht handhaving te betwisten.

Praktische impact

Pluimveebedrijven kunnen het tillen aan poten niet voortzetten en dienen uiterlijk 1 januari 2027 te voldoen aan de verbodsbepaling; verdere handhaving door de staatssecretaris op basis van het verbod is gerechtvaardigd.

Onderwerp-impact

Voor de pluimveesector betekent dit dat praktijken rond het vangen van dieren structureel moeten worden aangepast, met aanzienlijke operationele en financiële consequenties voor transport en verwerking van pluimvee.

Samenvatting

In deze procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven stonden meerdere pluimveebedrijven en dierenwelzijnsorganisatie Wakker Dier tegenover de staatssecretaris over de handhaving van het verbod op het vangen van pluimvee door de dieren aan de poten op te tillen. De bedrijven betoogden primair dat de geldende EU-Transportverordening dit verbod helemaal niet bevat, en voerden daarvoor aan dat het lopende voorstel tot herziening van die verordening het tillen aan twee poten juist expliciet toestaat. Zij interpreteerden dit als een correctie van een onbedoelde ontwerpfout in de huidige regelgeving. Ter ondersteuning wezen zij op een vergelijkbare wetswijziging in het Verenigd Koninkrijk en op amendementen van het Europees Parlement. Het College volgt deze redenering niet en handhaaft zijn eerdere oordeel van 4 juni 2024: het tillen van pluimvee aan de poten is verboden op grond van de bestaande verbodsbepaling in de Transportverordening. Toekomstige of buitenlandse wetgeving kan de uitleg van geldend Unierecht niet wijzigen. Het beroep van Wakker Dier tegen het niet tijdig nemen van nieuwe besluiten wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat de staatssecretaris inmiddels alsnog opnieuw had beslist en Wakker Dier daardoor geen procesbelang meer had. Omdat Wakker Dier ten tijde van het instellen van het beroep wél belang had, wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De begunstigingstermijn voor de bedrijven is gewijzigd vastgesteld en eindigt op 1 januari 2027, zodat zij tot die datum de gelegenheid krijgen hun bedrijfsvoering aan te passen. De uitspraak heeft concrete gevolgen voor de gehele pluimveesector en bevestigt dat handhaving van het vangverbod rechtmatig is.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 21 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
52van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1288Hoog
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1288, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01208

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
68/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied