CBb onbevoegd: appelverbod artikel 8:29 Awb-beslissing
ECLI:NL:CBB:2026:327, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-07-2026, 26/422 en 26/423
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Hoger beroep en verzoek om een voorlopige voorziening tegen een beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. Geen aanleiding voor doorbreking van het appelverbod.
Kern van de zaak
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven tegen een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. Die rechtbankbeslissing betrof de toepassing van artikel 8:29 lid 3 Awb: de rechtbank bepaalde dat vertrouwelijke stukken die de staatssecretaris niet aan derde-partijen wilde verstrekken, alsnog moesten worden verstrekt. De staatssecretaris verzocht tevens om een voorlopige voorziening om verstrekking te voorkomen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens kennelijke onbevoegdheid van het College. Op grond van artikel 8:104 lid 2 aanhef en onder d, jo. lid 3 aanhef en onder b Awb geldt een appelverbod tegen afzonderlijke beslissingen als bedoeld in artikel 8:29 lid 3 Awb, zodat het College geen bevoegdheid heeft kennis te nemen van dit hoger beroep.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande wetgeving toe en bevestigt een duidelijk wettelijk appelverbod zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is beperkt tot de concrete procedure en de bevestiging van een bekende procesrechtelijke regel.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 8:104 lid 2 aanhef en onder d Awb bevat een expliciet appelverbod tegen beslissingen op grond van artikel 8:29 lid 3 Awb (beperkte kennisneming van stukken).
- 2Het College kan ondanks het appelverbod toch bevoegd zijn indien sprake is van fundamentele rechtsbeginselen bij de totstandkoming van de beslissing, maar die uitzondering wordt hier kennelijk niet aanwezig geacht.
- 3De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83 lid 3 jo. artikel 8:54 lid 1 Awb wegens kennelijke onbevoegdheid.
- 4De uitspraak betreft een incidentele procedurele beslissing over informatieverstrekking aan derden in een lopende bestuursrechtelijke procedure.
- 5De staatssecretaris kan de kwestie van de vertrouwelijkheid van stukken slechts aan de orde stellen in het hoger beroep tegen de bodemuitspraak, niet via een afzonderlijk appel.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de reikwijdte van het appelverbod van artikel 8:104 lid 2 Awb: een afzonderlijke beslissing ex artikel 8:29 lid 3 Awb over het al dan niet beperkt kennisnemen van stukken is niet zelfstandig appellabel, ook niet via een voorlopige voorziening in hoger beroep.
Praktische impact
Voor de staatssecretaris betekent dit dat de vertrouwelijke stukken alsnog aan de derde-partijen moeten worden verstrekt, nu de werking van de rechtbankbeslissing niet via een hoger beroep kan worden geschorst. Overheidsorganen die vertrouwelijkheid van processtukken willen bewaren, kunnen dat oordeel uitsluitend aan de orde stellen in het hoger beroep ten gronde.
Onderwerp-impact
Voor overheidsprocedures waarbij vertrouwelijke bedrijfs- of beleidsinformatie als processtuk speelt, verduidelijkt deze uitspraak dat de rechterlijke beslissing over informatieverstrekking aan procespartijen onmiddellijk rechtskracht heeft en niet tussentijds kan worden aangevochten.
Samenvatting
In deze uitspraak van 3 juli 2026 oordeelt de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat hij kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep en het bijbehorende verzoek om voorlopige voorziening. De aanleiding was een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2026, waarbij op grond van artikel 8:29 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd bepaald dat bepaalde stukken — waarvan de staatssecretaris vond dat die vertrouwelijk moesten blijven — alsnog aan de derde-partijen in het geding moesten worden verstrekt. De staatssecretaris stelde tegen die beslissing hoger beroep in bij het College en vroeg tegelijkertijd om schorsing van die verplichting via een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van het College stelt vast dat artikel 8:104 lid 2 aanhef en onder d, jo. lid 3 aanhef en onder b Awb een expliciet appelverbod bevat tegen afzonderlijke beslissingen als bedoeld in artikel 8:29 lid 3 Awb. Een uitzondering op dit appelverbod is denkbaar wanneer bij de totstandkoming van de bestreden beslissing fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden, maar de voorzieningenrechter acht die uitzondering hier kennelijk niet van toepassing. Nu het College onbevoegd is, is ook de voorzieningenrechter onbevoegd een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 8:83 lid 3 jo. artikel 8:54 lid 1 jo. artikel 8:108 lid 1 Awb wordt de uitspraak zonder zitting gedaan. Praktisch gevolg is dat de beslissing van de rechtbank Rotterdam onmiddellijk van kracht blijft: de staatssecretaris zal de betreffende stukken aan de derde-partijen moeten verstrekken. De uitspraak illustreert dat beslissingen over beperkte kennisneming van stukken een zuiver incidenteel procesrechtelijk karakter hebben en slechts indirect, in het hoger beroep ten gronde, kunnen worden aangevochten.