Boete voor zwijnenbezitter herroepen: wilde dieren, geen gehouden varkens
ECLI:NL:CBB:2026:300, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-06-2026, 24/119
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bestuurlijke boete. Besluit houders van dieren. Verordening 2016/429. Het College verwijst voor zijn oordeel over de in deze zaak aangevoerde hogerberoepsgronden naar zijn uitspraak van 30 juni 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:291), waarin het College dezelfde gronden heeft beoordeeld. Boetebesluit houdt geen stand. Ambtshalve beoordeling overschrijding redelijke termijn.
Kern van de zaak
Een particulier ([naam 1]) hield wilde zwijnen in een omrasterd gebied zonder UBN-registratie en oormerken. De minister legde een bestuurlijke boete op wegens overtreding van veterinaire voorschriften. De betrokkene betwistte dat de wettelijke voorschriften voor 'gehouden dieren' op hem van toepassing zijn.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep slaagt: het College van Beroep voor het bedrijfsleven vernietigt de beslissing op bezwaar en herroept het boetebesluit. De doorslaggevende reden is dat de wettelijke voorschriften voor gehouden dieren (Verordening 2016/429) niet van toepassing zijn, omdat de zwijnen als wilde dieren worden aangemerkt conform de geldende beleidsregel van de NVWA.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor een specifieke niche (wilde zwijnen in omrasterde gebieden) en bevestigt eerder ingenomen standpunten van het College; zij stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Wilde zwijnen in een omrasterd gebied vallen onder de NVWA-beleidsregel 'grof wild uit gesloten gebieden' en worden niet als 'gehouden dieren' in de zin van Verordening 2016/429 beschouwd.
- 2Een aanvraag bij NatuurNetwerk is geen verplichte voorwaarde voor de kwalificatie als wild dier; de rechtbank had dit ten onrechte meegewogen.
- 3De omvang van het grondstuk is evenmin een relevante voorwaarde onder de beleidsregel.
- 4Het College sluit aan bij zijn eerdere oordeel in de parallelle zaak over de last onder dwangsom (zaaknummer 22/1826) voor dezelfde inspectie.
- 5Het College beoordeelt ambtshalve overschrijding van de redelijke termijn in boetezaken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de grens tussen 'gehouden dieren' en 'wild' onder Verordening 2016/429 en de NVWA-beleidsregel, met directe gevolgen voor de toepasselijkheid van veterinaire registratie- en identificatieverplichtingen. Bestuursorganen dienen bij handhaving first na te gaan of dieren al dan niet als 'gehouden' worden gekwalificeerd.
Praktische impact
Bezitters van wilde zwijnen in omrasterde gebieden die voldoen aan de NVWA-beleidsregel zijn niet gehouden aan UBN-registratie en oormerkverplichtingen; opgelegde boetes voor dergelijke verplichtingen zijn in vergelijkbare situaties niet houdbaar.
Onderwerp-impact
Voor de landbouw- en wildbeheerssector schept dit oordeel duidelijkheid over wanneer omrasterd wild aan veterinaire landbouwregelgeving valt te toetsen en wanneer de wildbeheersnormen prevaleren.
Samenvatting
In deze zaak legde de minister een bestuurlijke boete op aan [naam 1] wegens overtredingen van veterinaire voorschriften, in het bijzonder het ontbreken van een UBN-registratie en oormerken bij de door hem gehouden wilde zwijnen. [naam 1] voerde in hoger beroep aan dat zijn dieren helemaal niet als 'gehouden dieren' in de zin van Verordening 2016/429 kunnen worden aangemerkt, omdat hij voldoet aan de voorwaarden van de NVWA-beleidsregel voor grof wild uit gesloten, omrasterde gebieden. De rechtbank had zijn beroep ongegrond verklaard en daarbij ten onrechte gewicht toegekend aan het feit dat [naam 1] geen aanvraag bij NatuurNetwerk had ingediend en dat de dieren op een relatief klein perceel liepen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelt vast dat noch een aanvraag bij NatuurNetwerk noch de omvang van het grondstuk als voorwaarden in de beleidsregel zijn opgenomen. Het College verwijst voor de inhoudelijke beoordeling van de toepasselijkheid van de veterinaire voorschriften naar zijn eerdere uitspraak in de parallelle procedure over de last onder dwangsom die voor dezelfde overtredingen en op basis van hetzelfde inspectierapport was opgelegd (zaaknummer 22/1826). In die procedure had het College al geoordeeld dat de betrokken wettelijke voorschriften niet van toepassing zijn op de situatie van [naam 1]. Op grond hiervan verklaart het College het hoger beroep gegrond, vernietigt het de uitspraak van de rechtbank en de beslissing op bezwaar, en herroept het het boetebesluit. Proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast beoordeelt het College ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, conform zijn vaste lijn in boetezaken.