JurispRadar
ECLI:NL:CBB:2026:238Laag18/100

Stichting voor exotische dieren wint deels bij CBb

ECLI:NL:CBB:2026:238, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-06-2026, 23/1350

College van Beroep voor het bedrijfslevenUitspraak: 2 juni 2026Publicatie: 29 mei 2026
Procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer:23/1350
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Vergunningen
Redelijke Termijn
Nvwa
Niet Tijdig Beslissen
Dwangsom
Exotische Dieren

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

(Spoed)bestuursdwang inbeslagname exotische dieren in woning (brilkaaimannen, serval, overige dieren). Huisvesting voorziet onvoldoende in fysiologische en ethologische behoeften. Begunstigingstermijnen bestuursdwang te kort. Spoedbestuursdwang rechtmatig, maar kosten ten onrechte verhaald op Stichting, die geen overtreder is. Beroep gegrond.

Kern van de zaak

Appellant en zijn Stichting vangen exotische dieren op. Na een melding van een verhuurder bezochten NVWA-toezichthouders de locaties in december 2022. De zaak draait om een te laat genomen beslissing op bezwaar door de minister en de rechtmatigheid van dat besluit.

Beslissing van de rechter

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister alsnog heeft beslist en de maximale dwangsom heeft toegekend. Het College veroordeelt de Staat tot betaling van € 1.500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de overschrijding hoofdzakelijk aan de rechterlijke fase is toe te rekenen.

18van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past binnen vaste jurisprudentie over dwangsommen bij niet tijdig beslissen en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.

Belangrijkste punten

  • 1Minister erkende zelf de maximale dwangsom verschuldigd te zijn wegens overschrijding van de beslistermijn (art. 4:17 Awb)
  • 2Beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk na alsnog genomen besluit op bezwaar
  • 3Redelijke termijn van zes maanden is (licht) overschreden; beslissing op bezwaar dateerde van 7 juli 2023
  • 4Overschrijding redelijke termijn hoofdzakelijk toe te rekenen aan rechterlijke fase; Staat veroordeeld tot volledige schadevergoeding van € 1.500,-
  • 5Proceskosten verzoek schadevergoeding begroot op € 467,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase de Staat (en niet het bestuursorgaan) opdraait voor de volledige schadevergoeding. Toepassing van art. 4:17 Awb en art. 6:20 lid 3 Awb verloopt conform bestaande jurisprudentie.

Praktische impact

Appellant en de Stichting ontvangen € 1.500,- schadevergoeding plus € 467,- proceskostenvergoeding van de Staat. De dwangsom wegens niet tijdig beslissen was al door de minister toegekend.

Onderwerp-impact

Voor houders van exotische dieren en opvangstichtingen onderstreept deze zaak het belang van tijdige bestuursrechtelijke besluitvorming bij handhavingstrajecten door de NVWA.

Samenvatting

Deze zaak betreft appellant, tevens oprichter en bestuurder van een stichting die exotische dieren opvangt. In december 2022 bezochten NVWA-toezichthouders een loods en de woning van appellants moeder na een melding van de verhuurder. De dieren — waaronder fenneks, een serval, stinkdieren, brilkaaimannen en diverse vogels — waren tijdelijk elders ondergebracht nadat het huurcontract van de loods afliep. Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouders ontstond een bestuursrechtelijk traject waarbij de minister niet tijdig op de bezwaren besliste. De Stichting en appellant stelden beroep in wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Hangende dit beroep nam de minister alsnog een besluit op bezwaar en erkende daarin de maximale dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht verschuldigd te zijn. Nu de minister alsnog had beslist en partijen ter zitting aangaven geen belang meer te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het niet-tijdig-beslissen-beroep, verklaarde het College dit deel van het beroep niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 6:20 lid 3 Awb had het beroep ook betrekking op het bestreden besluit zelf. Het College stelde vast dat de redelijke termijn van zes maanden — gerekend vanaf de beslissing op bezwaar van 7 juli 2023 — licht was overschreden. Omdat de overschrijding hoofdzakelijk aan de rechterlijke fase was toe te rekenen, werd de Staat veroordeeld tot betaling van de volledige schadevergoeding van € 1.500,- aan de Stichting en appellant gezamenlijk. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten ter zake van het schadevergoedingsverzoek, begroot op € 467,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak volgt de vaste lijn in het bestuursrecht en introduceert geen nieuwe rechtsvragen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266, Raad van State, 22-07-2026, 202305427/1/R2

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4297Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4297, Raad van State, 22-07-2026, 202504678/1/A3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4272Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4272, Raad van State, 22-07-2026, 202500298/1/R2

Raad van State22 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4264Middel
Bestuursrecht
Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4264, Raad van State, 22-07-2026, 202506029/1/A2

Raad van State22 jul 2026SchadevergoedingOverheid
35/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied