JurispRadar
ECLI:NL:CBB:2026:210Hoog58/100

Beroep tegen niet-aanwijzing diersoorten op huis- en hobbydierenlijst ontvangen

ECLI:NL:CBB:2026:210, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-05-2026, 24/990

College van Beroep voor het bedrijfslevenUitspraak: 28 mei 2026Publicatie: 19 mei 2026
Zaaknummer:24/990
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Handhaving
Vergunningen
Procesbelang
Huis En Hobbydierenlijst
Positieve Lijst
Vrij Verkeer Van Goederen
Niet Aanwijzing

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Besluit huis- en hobbydierenlijst (het Besluit). Het Besluit bevat 314 afzonderlijke besluiten tot aanwijzing of niet-aanwijzing van diersoorten die gehouden mogen worden. Het gaat om dertig beslissingen tot het aanwijzen van diersoorten en 284 beslissingen tot het niet aanwijzen van diersoorten. Deze 314 individuele beslissingen zijn elk afzonderlijk aan te merken als een concretiserend besluit van algemene strekking naar soort waartegen bezwaar en beroep openstaat. De minister heeft zich laten adviseren door de Wetenschappelijke Adviescommissie Positieflijst (WAP) en het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst (Adviescollege). De aangevochten individuele beslissingen tot het niet aanwijzen van diersoorten vormen de objecten van toetsing. Aan die beslissingen ligt een advies van het Adviescollege ten grondslag. Het advies van het Adviescollege berust weer op de beoordelingssystematiek die de Wetenschappelijke Adviescommissie Positieflijst (WAP) heeft ontwikkeld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de adviezen van de WAP en het Adviescollege niet voldoen aan de beginselen van onafhankelijkheid, deskundigheid en doorzichtigheid. De systematiek die de WAP en het Adviescollege hebben gehanteerd, is wetenschappelijk verantwoord en is juist toegepast. Het uitgangspunt van de minister dat een diersoort alleen op de lijst kan worden geplaatst als het dier door eenieder kan worden gehouden en het dierenwelzijn van het dier is gewaarborgd, is aanvaardbaar. Ook is de wijze van beoordelen door de minister in overeenstemming met de eisen van het Europees recht waaronder het voorzorgsbeginsel. De minister heeft ook deugdelijk gemotiveerd waarom hij houderijvoorschriften, -oplossingen en -maatregelen niet bij de beoordeling heeft betrokken. Het College is verder van oordeel dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom bij de soort katoenrat is uitgegaan van de soort afkomstig uit wildvang. De minister heeft namelijk erkend dat de soort katoenrat in Nederland niet voorkomt, maar uitsluitend buiten de EU. De soort katoenrat wordt dus hoogstens geïmporteerd. Het strikt toepassen van de door de WAP ontwikkelde en door het Adviescollege nader uitgewerkte beoordelingssystematiek zou ertoe hebben geleid dat diersoorten als honden, katten en paarden niet zouden zijn aangewezen als soorten die gehouden mogen worden. Het Adviescollege heeft het “domesticatie”-criterium ontwikkeld. Zoogdiersoorten met populaties die zich in een vergevorderd stadium van het domesticatieproces bevinden heeft de minister aangewezen als soorten die gehouden mogen worden. De reden daarvoor is dat de minister het risico voor mens en dier van het houden van deze soorten beperkt acht, gelet op een viertal omstandigheden. Het College is van oordeel dat de minister het “domesticatie”-criterium heeft mogen gebruiken. Het College acht de door de minister gekozen toepassing van het “domesticatie”-criterium in het licht van de proportionaliteitseis die voortvloeit uit het Andibel-arrest te beperkt. De minister had moeten bezien of er aanleiding bestond de soorten dromedaris, jak, chinchilla en Russische dwerghamster om bestuurlijke redenen op basis van het domesticatiecriterium toch aan te wijzen.

Kern van de zaak

Appellanten (houders van dieren) hebben beroep ingesteld tegen het Besluit huis- en hobbydierenlijst, specifiek tegen de beslissingen waarbij bepaalde diersoorten níet zijn aangewezen als toegestane huis- of hobbydieren. Stichting AAP betwistte het procesbelang van appellanten. Het geschil draait om de vraag of het niet-aanwijzen van diersoorten aanvechtbaar is en of dat in strijd is met het vrij verkeer van goederen (VWEU).

Beslissing van de rechter

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat appellanten wél belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen de niet-aanwijzing van diersoorten. Doorslaggevend is dat niet-aanwijzing leidt tot een houdverbod dat het vrij verkeer van goederen (dieren) in de zin van artikelen 34 en 35 VWEU beperkt, en dat de beslissingen tot niet-aanwijzing anders onherroepelijk zouden worden terwijl overgangsrecht een minder gunstige positie biedt dan aanwijzing.

58van 100

Impactscore

Hoog

De uitspraak heeft betekenisvolle gevolgen voor de systematiek van positieve dierenlijsten en de toetsing aan EU-vrijverkeerrecht, maar is geen Hoge Raad- of RvS-arrest dat fundamentele rechtsregels stelt; de impact blijft sectorspecifiek.

Belangrijkste punten

  • 1Het Besluit huis- en hobbydierenlijst bevat zowel beslissingen tot aanwijzing als tot niet-aanwijzing van diersoorten; beide zijn zelfstandig aanvechtbaar.
  • 2Appellanten hebben procesbelang: niet-aanwijzing wordt anders onherroepelijk en overgangsrecht biedt een slechtere rechtspositie dan aanwijzing.
  • 3Dieren gelden als 'goederen' in de zin van het Unierecht; niet-aanwijzing vormt een beperking van het vrij verkeer ex artikelen 34-35 VWEU.
  • 4Een beperking van het vrij verkeer is slechts toelaatbaar als zij een legitiem doel nastreeft, geschikt is en niet verder gaat dan noodzakelijk (proportionaliteit).
  • 5De dertig beslissingen tot aanwijzing (categorie 1) zijn niet aangevochten en hebben formele rechtskracht gekregen; die vallen buiten de omvang van de gedingen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat beslissingen tot niet-aanwijzing op een positieve lijst zelfstandige appellabele besluiten zijn en dat negatieve lijstbesluiten moeten worden getoetst aan de VWEU-vrijverkeerbepalingen inclusief het proportionaliteitsvereiste.

Praktische impact

Houders van niet-aangewezen diersoorten kunnen de niet-aanwijzing succesvol in rechte aanvechten zonder genoegen te nemen met de beperktere bescherming van overgangsrechtelijke vrijstellingen.

Onderwerp-impact

Voor de regulering van het houden van huis- en hobbydieren schept dit precedent: overheid moet bij positieve lijsten per niet-aangewezen soort een Unierechtelijk houdbare rechtvaardiging leveren.

Samenvatting

In deze zaak stond centraal of houders van dieren die niet zijn aangewezen op de huis- en hobbydierenlijst (vastgesteld krachtens artikel 2.2 Wet dieren) belang hebben bij het aanvechten van die niet-aanwijzing. Stichting AAP betoogde dat dit belang ontbrak, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven verwierp dat standpunt. Het College oordeelde dat artikel 1 van het Besluit huis- en hobbydierenlijst niet alleen beslissingen tot aanwijzing maar ook zelfstandige beslissingen tot niet-aanwijzing bevat. Beide categorieën zijn vatbaar voor beroep. Het procesbelang van appellanten is reëel: als zij de niet-aanwijzing niet aanvechten, wordt die beslissing onherroepelijk. Bovendien biedt het overgangsrecht (artikel 3 van het Besluit) slechts een tijdelijke en voorwaardelijke vrijstelling, terwijl aanwijzing een structureel en onvoorwaardelijk recht geeft om de diersoort te houden. Het overgangsrecht beoogt immers het houden van niet-aangewezen soorten op termijn te beëindigen. Inhoudelijk toetst het College de niet-aanwijzing aan het vrij verkeer van goederen. Dieren zijn goederen in de zin van het Unierecht, en een houdverbod leidt tot een beperking van het in- en uitvoerverkeer als bedoeld in de artikelen 34 en 35 VWEU. Dergelijke beperkingen zijn alleen toegestaan als zij een legitiem, met het Verdrag verenigbaar doel nastreven, berusten op dwingende redenen van algemeen belang, geschikt zijn om dat doel te bereiken en niet verder gaan dan noodzakelijk. De dertig beslissingen waarbij diersoorten wél zijn aangewezen (categorie 1) zijn door niemand aangevochten en hebben daarmee formele rechtskracht gekregen; die vallen buiten de omvang van de gedingen. De procedure spitst zich daarmee toe op de vraag of de niet-aanwijzing van de overige soorten de Unierechtelijke proportionaliteitstoets kan doorstaan. De uitspraak is relevant voor alle positieve-lijststelsels in het bestuursrecht waarbij niet-aanwijzing feitelijk een verbod inhoudt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266, Raad van State, 22-07-2026, 202305427/1/R2

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4297Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4297, Raad van State, 22-07-2026, 202504678/1/A3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4272Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4272, Raad van State, 22-07-2026, 202500298/1/R2

Raad van State22 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4264Middel
Bestuursrecht
Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4264, Raad van State, 22-07-2026, 202506029/1/A2

Raad van State22 jul 2026SchadevergoedingOverheid
35/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied