Boete voedselveiligheid verlaagd na salmonella-melding varkensvlees
ECLI:NL:CBB:2025:388, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-07-2025, 21/845
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was om de onderneming een last onder dwangsom op te leggen omdat de onderneming redenen had als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening 178/2002 om aan te nemen dat de levensmiddelen die zij verwerkt of gedistribueerd had niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldeden. Er is geen sprake van een uitvoerig onderzoek in de zin van artikel 14, zesde lid, van de Verordening 178/2002. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Verder heeft de rechtbank naar het oordeel van het College terecht geoordeeld dat de onderneming artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Verordening 178/2002 heeft overtreden. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de onderneming artikel 19, derde lid, van de Verordening 178/2002 opzettelijk heeft overtreden. Het College acht echter de helft van het boetebedrag passend en geboden. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn is het boetebedrag verder verminderd. Het hoger beroep slaagt.
Kern van de zaak
Een vleesverwerkinsgonderneming kreeg een boete van de minister (via NVWA) wegens onvoldoende naleving van meldingsverplichtingen rondom mogelijk met salmonella besmet varkensvlees. De onderneming betwistte de hoogte van de boete en voerde aan dat het voedselveiligheidsrisico beperkt was. De zaak betrof de verplichting uit artikel 19 van de General Food Law (Verordening (EG) 178/2002) om onveilige levensmiddelen terug te halen en afnemers te informeren.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven vernietigt de aangevallen uitspraak gedeeltelijk en stelt de boete vast op € 249.519,-, lager dan de eerder opgelegde boete. De doorslaggevende reden is dat de hoogte van de boete niet in stand kon blijven; de overige onderdelen van de uitspraak worden bevestigd.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte precedentwerking omdat zij primair de individuele boetehoogte betreft en geen nieuwe rechtsregels stelt, maar is relevant voor vleessector-ondernemingen die geconfronteerd worden met GFL-boetes.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 19, eerste en derde lid, van de General Food Law (Verordening (EG) 178/2002) verplicht levensmiddelenbedrijven tot terugroeping en informatieverstrekking bij mogelijk onveilige producten.
- 2De onderneming deed twee GFL-meldingen en betwistte de ernst van het salmonellarisico, mede op basis van eigen en leverancierslab-resultaten.
- 3Het College acht de overtreding bewezen maar matigt de opgelegde boete tot € 249.519,-.
- 4De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 4.922,- en moet betaalde griffierechten terugbetalen.
- 5De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige (buiten de boetehoogte) bevestigd, wat impliceert dat de overtreding zelf niet succesvol is betwist.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat bij de oplegging van boetes voor schendingen van de GFL-meldingsverplichtingen de evenredigheid van de boetehoogte rechterlijk toetsbaar is en zo nodig wordt gematigd. Dit bevestigt de rechterlijke bevoegdheid tot volledige heroverweging van bestuurlijke boetes in voedselveiligheidszaken.
Praktische impact
Vleesverwerkers en andere levensmiddelenbedrijven kunnen bij een opgelegde bestuurlijke boete wegens GFL-overtredingen met succes de hoogte ervan aanvechten, ook als de overtreding zelf vaststaat. De terugbetaling van griffierechten en proceskostenveroordeling bieden enige financiële compensatie.
Onderwerp-impact
In de voedselveiligheidssector onderstreept deze zaak het belang van tijdige en volledige melding bij (potentiële) besmettingen; een gedeeltelijk geslaagd verweer op de boetehoogte ontslaat een bedrijf niet van de meldingsverplichting zelf.
Samenvatting
Deze zaak betreft een vleesverwerkinsgonderneming die in november 2018 door de NVWA werd aangesproken op haar verplichtingen onder artikel 19 van de General Food Law (Verordening (EG) 178/2002), nadat varkensvlees van haar leverancier mogelijk met salmonella besmet bleek. De NVWA wees erop dat de eerste melding onvolledig was en dat de onderneming verplicht was haar afnemers te informeren en producten zo nodig terug te halen. De onderneming deed een tweede melding en betoogde dat het risico beperkt was: slechts drie besmette karkassen, onzeker of zij er één had ontvangen, en het grootste deel van haar productie (bacon voor Denemarken en Engeland) zou voldoende worden verhit. Alleen haar droge worst-producten en enkele ready-to-eat producten voor de Nederlandse markt werden door haar als risicoproducten aangemerkt. De minister legde desondanks een boete op wegens schending van de meldingsverplichtingen. De rechtbank verklaarde het beroep van de onderneming deels gegrond maar liet de boete in stand. In hoger beroep oordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat de overtreding zelf terecht is vastgesteld — dat deel van de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd — maar dat de opgelegde boete niet in de vastgestelde hoogte in stand kan blijven. Het College stelt de boete zelf vast op € 249.519,-, vernietigt het besluit op bezwaar voor zover het de boetehoogte betreft en herroept in zoverre het boetebesluit. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van de onderneming (€ 4.922,-) en dient de betaalde griffierechten van in totaal € 895,- te vergoeden. De zaak illustreert dat rechters bij bestuurlijke boetes in voedselveiligheidszaken de evenredigheid van de sanctie volledig toetsen en zonodig zelf de hoogte vaststellen, ook wanneer de overtreding als zodanig vaststaat.