JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:98Laag12/100

Hoger beroep vreemdeling niet-ontvankelijk wegens ontbrekende grieven

ECLI:NL:RVS:2026:98, Raad van State, 12-01-2026, BRS.25.002383

Raad van StateUitspraak: 12 januari 2026Publicatie: 8 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.25.002383
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Niet Ontvankelijkheid
Bulgarije
Vreemdelingenwet
Hogerberoepsgronden
Verblijfsstatus

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 4 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Kern van de zaak

Een vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. Hij voerde aan dat zijn bescherming in Bulgarije was opgeschort en wilde dit aantonen met een brief van de Bulgaarse ambassade. De rechtbank had eerder een verzoek om aanhouding voor bewijslevering afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Doorslaggevend is dat appellant geen grieven heeft geformuleerd tegen de uitspraak van de rechtbank: het hogerberoepschrift bevat geen uitleg waarom de rechtbankuitspraak onjuist zou zijn, en de bijgevoegde brief van de Bulgaarse ambassade betreft een reisdocumentaanvraag en is geen bewijs over de verblijfsstatus in Bulgarije.

12van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak betreft een routinematige procedurele niet-ontvankelijkverklaring op grond van het ontbreken van grieven; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de beslissing heeft geen bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Artikel 85 Vw 2000 vereist dat het hogerberoepschrift grieven bevat die een inhoudelijk oordeel mogelijk maken.
  • 2Appellant heeft nagelaten uit te leggen waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist is.
  • 3De overgelegde brief van de Bulgaarse ambassade ziet op een tijdelijk reisdocument, niet op een opschortingsbesluit betreffende verblijfsstatus.
  • 4Het hogerberoepschrift voldoet niet aan de minimale vereisten voor inhoudelijke behandeling.
  • 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden nu het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat artikel 85 Vw 2000 verlangt dat een hogerberoepschrift concrete grieven bevat tegen de aangevallen uitspraak; ontbreken deze, dan is niet-ontvankelijkverklaring het gevolg. Dit is een toepassing van bestaand procesrecht zonder nieuwe rechtsontwikkeling.

Praktische impact

Voor appellant betekent dit dat de rechtbankuitspraak waarbij zijn beroep ongegrond werd verklaard, onherroepelijk wordt. Hij kan niet meer via deze procedure aantonen dat zijn bescherming in Bulgarije is opgeschort.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenrechtelijke procedures wordt opnieuw benadrukt dat procedurele zorgvuldigheid bij het formuleren van hoger beroepsgronden essentieel is; een onvoldoende onderbouwd hogerberoepschrift leidt tot niet-ontvankelijkheid zonder inhoudelijke beoordeling van de verblijfsrechtelijke situatie.

Samenvatting

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 januari 2026 het hoger beroep van een vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard. De zaak draaide om een vreemdeling die in eerste aanleg tevergeefs had geprobeerd aan te tonen dat zijn bescherming in Bulgarije was opgeschort. De rechtbank had zijn verzoek om aanhouding voor bewijslevering afgewezen en het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij een brief van de Bulgaarse ambassade had ontvangen waaruit zou blijken dat hij binnen twee maanden een opschortingsbesluit zou ontvangen. Hij hechtte deze brief als bijlage aan zijn hogerberoepschrift. De centrale juridische vraag was of het hogerberoepschrift voldeed aan de vereisten van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000, dat verlangt dat een hogerberoepschrift een of meer grieven bevat: concrete bezwaren tegen de uitspraak van de rechtbank die een inhoudelijk oordeel mogelijk maken. De Afdeling oordeelde dat hieraan niet was voldaan. Appellant had op geen enkele manier uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Bovendien bleek uit de bijgevoegde brief van de Bulgaarse ambassade niet wat appellant beweerde: de brief had betrekking op een aanvraag voor een tijdelijk reisdocument en zag daarmee niet op de verblijfsstatus of een opschortingsbesluit. Reeds om die reden kon de brief niet dienen als onderbouwing van de hogerberoepsgronden. Nu het hogerberoepschrift feitelijk geen kritiek op de rechtbankuitspraak bevatte, kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven en werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Proceskosten werden niet vergoed. De uitspraak van de rechtbank waarbij het beroep ongegrond was verklaard, staat daarmee onherroepelijk vast.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 15 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1123Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1123, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00132

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1270Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1270, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03379

Hoge Raad10 jul 2026Overheid
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1261Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1261, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03361

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen