RvS onbevoegd: geen hoger beroep in bewaringszaken
ECLI:NL:RVS:2026:957, Raad van State, 23-02-2026, BRS.26.000159
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een rechtbankuitspraak over het voortduren van zijn bewaring op grond van artikel 96 Vreemdelingenwet 2000. De advocaat betoogde dat het hoger beroepsverbod doorbroken moest worden.
Beslissing van de rechter
De Afdeling verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Het wettelijke verbod op hoger beroep in bewaringszaken (artikel 84 aanhef en onder a Vw 2000) is niet doorbroken, nu er geen sprake was van schending van het recht op een eerlijk proces.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande, vaste jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; het betreft een procedurele onbevoegdheidsverklaring in een individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 84 aanhef en onder a Vw 2000 sluit hoger beroep uit tegen uitspraken over het voortduren van vreemdelingenbewaring (art. 96 Vw 2000)
- 2Het hoger beroepsverbod kan uitsluitend worden doorbroken bij schending van het recht op een eerlijk proces
- 3Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een dergelijke schending aantonen
- 4De Afdeling verklaart zich onbevoegd en behandelt de zaak inhoudelijk niet
- 5Geen proceskostenveroordeling, nu de minister geen verweer heeft gevoerd dat tot kosten heeft geleid
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat het wettelijk hoger beroepsverbod in vreemdelingenbewaringszaken strikt wordt toegepast en enkel bij een aangetoonde schending van het eerlijk procesrecht kan worden doorbroken.
Praktische impact
Voor vreemdelingen in bewaring betekent dit dat hoger beroep tegen voortduringsbeslissingen in beginsel geen rechtsmiddel is; enkel een beroep op gebrekkige procesvoering bij de rechtbank kan een uitzondering rechtvaardigen.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaringsprocedures blijft de rechtbank de enige en definitieve instantie voor toetsing van het voortduren van de maatregel, wat de rechtsbescherming van vreemdelingen in bewaring beperkt.
Samenvatting
In deze zaak had een vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring. De bewaring was opgelegd op grond van artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank had de rechtmatigheid van het voortduren van die maatregel beoordeeld, waarna appellant zich via zijn advocaat tot de Afdeling wendde. De centrale juridische vraag was of de Afdeling bevoegd is om van dit hoger beroep kennis te nemen. Artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bepaalt uitdrukkelijk dat tegen uitspraken over het voortduren van bewaring géén hoger beroep openstaat. Dit verbod is absoluut van aard, tenzij in de eerste aanleg sprake is geweest van een procedure die niet voldeed aan de eisen van een eerlijk proces. Alleen in dat uitzonderlijke geval kan het verbod worden 'doorbroken'. De Afdeling stelt vast dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die wijzen op een schending van het recht op een eerlijk proces bij de rechtbank. Er is dus geen grond om het hoger beroepsverbod te omzeilen. De Afdeling verklaart zich onbevoegd en laat een inhoudelijke beoordeling van de bewaringsmaatregel achterwege. Een proceskostenveroordeling blijft eveneens achterwege. De uitspraak bevestigt de bestaande rechtspraktijk: de rechtbank is in bewaringszaken de enige en definitieve rechterlijke instantie. Dit beperkt de rechtsbescherming van vreemdelingen in bewaring, maar sluit aan bij de expliciete wetgevingskeuze om hoger beroep in dit type zaken uit te sluiten. De praktische betekenis voor de individuele appellant is dat het hoger beroep geen verdere behandeling krijgt.