Raad van State onbevoegd in hoger beroep vrijheidsbeperkende maatregel
ECLI:NL:RVS:2026:955, Raad van State, 23-02-2026, BRS.25.002733
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant, bijgestaan door advocaat Verbaas) ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een rechterlijk oordeel over de voortduring van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder geoordeeld dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de voortduring van die maatregel rechterlijk te toetsen.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Doorslaggevend is artikel 84 aanhef en onder a Vw 2000, dat hoger beroep tegen dit type oordeel uitsluit, en het ontbreken van een schending van het recht op een eerlijk proces die dat verbod had kunnen doorbreken.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand recht toe zonder nieuwe rechtsnormen te formuleren; de Afdeling verklaart zich slechts onbevoegd op grond van een helder wettelijk appelverbod en voegt geen nieuwe interpretatie toe.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 84 aanhef en onder a Vw 2000 sluit hoger beroep uit tegen rechterlijke oordelen over de wettelijke grondslag voor toetsing van vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 56 Vw 2000.
- 2Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken indien er geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden; daarvan was hier geen sprake.
- 3De rechtbank wees appellant op de alternatieve rechtsgang: een verzoek om opheffing bij de minister met bezwaar en beroep daartegen.
- 4De Afdeling wijst geen proceskostenveroordeling toe nu zij zich onbevoegd verklaart.
- 5De zaak benadrukt de beperkte appelrechtsmogelijkheden in het vreemdelingenrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het appelverbod van artikel 84 Vw 2000 en maakt duidelijk dat de doorbrekingsgrond (geen eerlijk proces) eng wordt uitgelegd. Dit consolideert bestaande jurisprudentie zonder nieuwe rechtsnormen te stellen.
Praktische impact
Vreemdelingen aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd kunnen de voortduring daarvan niet via hoger beroep aanvechten; zij zijn aangewezen op een opheffingsverzoek bij de minister gevolgd door bezwaar en beroep.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke procedures wordt de toegang tot de rechter bij vrijheidsbeperkende maatregelen verder ingekaderd, wat gevolgen heeft voor de rechtsbescherming van betrokkenen in vergelijkbare situaties.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door advocaat Verbaas te Alkmaar, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het geschil betrof een vrijheidsbeperkende maatregel die aan hem was opgelegd op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank had in eerste aanleg geoordeeld dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de voortduring van een dergelijke maatregel rechterlijk te toetsen. Zij wees appellant erop dat hij een verzoek om opheffing kon indienen bij de minister, waartegen vervolgens bezwaar en beroep openstaat. Appellant bestreed dit oordeel in hoger beroep. De centrale juridische vraag was of de Afdeling bevoegd is om van dit hoger beroep kennis te nemen. Artikel 84 aanhef en onder a van de Vw 2000 sluit hoger beroep uit tegen dit type rechterlijk oordeel. De Afdeling stelt vast dat het appelverbod van toepassing is. Het verbod kan weliswaar worden doorbroken indien er sprake is geweest van een schending van het recht op een eerlijk proces, maar de Afdeling oordeelt dat daarvan in dit geval geen sprake is. Wat appellant in hoger beroep aanvoerde bood onvoldoende grond om de zaak toch inhoudelijk te behandelen. De Afdeling verklaart zich dan ook onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. De uitspraak is van beperkte juridische betekenis in de zin dat zij geen nieuwe rechtsregels formuleert, maar bevestigt de vaste lijn dat het appelverbod in het vreemdelingenrecht strikt wordt toegepast. Voor betrokken vreemdelingen betekent dit dat de voortduring van een vrijheidsbeperkende maatregel uitsluitend via een opheffingsverzoek bij de minister en de daaropvolgende bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kan worden aangevochten.