JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:953Laag8/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens motiveringsgebrek

ECLI:NL:RVS:2026:953, Raad van State, 23-02-2026, BRS.25.002541

Raad van StateUitspraak: 23 februari 2026Publicatie: 19 februari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.25.002541
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Niet Ontvankelijkheid
Hoger Beroep
Motiveringsplicht
Vreemdelingenwet 2000
Bahaddar

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 17 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een appellant in een vreemdelingenzaak stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De appellant legde echter niet uit waarom de rechtbankuitspraak onjuist zou zijn. De zaak betreft vermoedelijk een asiel- of verblijfsrechtelijke kwestie waarover de minister eerder een besluit nam.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen grieven heeft aangevoerd die uitleggen waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist is, zoals vereist op grond van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000. Er doen zich geen Bahaddar-omstandigheden voor die een uitzondering op deze eis rechtvaardigen.

8van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een standaard procedurele beslissing over niet-ontvankelijkheid wegens motiveringsgebrek en stelt geen nieuw recht. De rechtspraktijk is reeds geruime tijd bekend met deze lijn.

Belangrijkste punten

  • 1Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van inhoudelijke grieven tegen de rechtbankuitspraak (artikel 85 Vw 2000)
  • 2Appellant motiveerde niet waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist is
  • 3Geen Bahaddar-omstandigheden aanwezig die een uitzondering rechtvaardigen (vgl. ABRvS 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664)
  • 4Geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister
  • 5Behandeld door enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat hoger beroep in vreemdelingenzaken inhoudelijke grieven tegen de rechtbankuitspraak vereist op straffe van niet-ontvankelijkheid, tenzij Bahaddar-omstandigheden aanwezig zijn. Er wordt geen nieuw recht gesteld; het betreft toepassing van een bekende regel.

Praktische impact

Voor appellant betekent dit dat de rechtbankuitspraak in stand blijft en hij geen inhoudelijk oordeel van de Raad van State verkrijgt. Advocaten in vreemdelingenzaken worden herinnerd aan het belang van een deugdelijke motivering van hoger beroepschriften.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenrechtelijke procedures onderstreept deze uitspraak het belang van een inhoudelijk gemotiveerd hoger beroepschrift; het louter instellen van hoger beroep zonder kritiek op de rechtbankuitspraak is onvoldoende.

Samenvatting

In deze korte uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2026 staat de vraag centraal of een hoger beroep in een vreemdelingenzaak ontvankelijk is wanneer de appellant geen inhoudelijke grieven formuleert tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant, bijgestaan door mr. M.R.F. Berte, had hoger beroep ingesteld, maar had nagelaten te onderbouwen waarom de bestreden rechtbankuitspraak onjuist zou zijn. Op grond van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dienen beroepsgronden in hoger beroep de gronden te bevatten waarop het beroep rust; zonder die motivering kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven. De enkelvoudige kamer onderzocht vervolgens of er sprake was van zogenoemde Bahaddar-omstandigheden, die in uitzonderlijke situaties een ongemotiveerd hoger beroep toch inhoudelijk bespreekbaar kunnen maken. Dergelijke omstandigheden – doorgaans gekenmerkt door ernstige en individuele dreiging voor de vreemdeling bij terugkeer die buiten zijn schuld niet eerder kon worden aangevoerd – werden niet vastgesteld. Gelet op het ontbreken van grieven én het uitblijven van Bahaddar-omstandigheden verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling ten laste van de minister bleef achterwege. De uitspraak is een routinematige toepassing van vaste jurisprudentie en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Zij benadrukt echter opnieuw het belang voor rechtsbijstandverleners om hoger beroepschriften in vreemdelingenzaken steeds van een deugdelijke inhoudelijke motivering te voorzien, bij gebreke waarvan de cliënt elk kans op heroverweging verliest.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1123Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1123, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00132

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1270Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1270, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03379

Hoge Raad10 jul 2026Overheid
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1261Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1261, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03361

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen