Hoger beroep vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens motiveringsgebrek
ECLI:NL:RVS:2026:940, Raad van State, 20-02-2026, BRS.25.002695
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State in een vreemdelingenzaak, vertegenwoordigd door een advocaat uit Breda. Het hoger beroep bevatte echter geen inhoudelijke gronden waaruit bleek waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat appellant geen grieven heeft aangevoerd tegen de rechtbankuitspraak, waardoor de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kan geven op grond van artikel 85 Vw 2000.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige procedurele beslissing die geen nieuwe rechtsnormen stelt en slechts een bekende formele eis herbevestigt. De impact beperkt zich tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van inhoudelijke gronden (grieven)
- 2Artikel 85 Vw 2000 vereist dat appellant uitlegt waarom de rechtbankuitspraak onjuist is
- 3Zonder motivering kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat hoger beroep in vreemdelingenzaken onder artikel 85 Vw 2000 gemotiveerde grieven vereist op straffe van niet-ontvankelijkheid. Er is geen nieuwe rechtsontwikkeling.
Praktische impact
Voor appellant betekent de niet-ontvankelijkverklaring dat de rechtbankuitspraak in stand blijft en hij geen inhoudelijke herbeoordeling krijgt. Advocaten worden herinnerd aan de verplichting concrete grieven te formuleren in hoger beroep.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken is het essentieel dat hoger beroepschriften inhoudelijk ingaan op de aangevochten uitspraak; het enkel instellen van hoger beroep zonder onderbouwing volstaat niet.
Samenvatting
In deze vreemdelingrechtelijke procedure stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De appellant werd bijgestaan door een advocaat uit Breda, maar het ingediende hoger beroepschrift bevatte geen inhoudelijke toelichting op de vraag waarom de uitspraak van de rechtbank volgens appellant onjuist zou zijn. Op grond van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient een hogerberoepschrift een of meer grieven te bevatten, dat wil zeggen dat de appellant concreet moet aangeven op welke punten en om welke redenen hij de uitspraak van de rechtbank betwist. Nu dit geheel ontbrak, was de Afdeling niet in staat een inhoudelijk oordeel te geven over het hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken ten laste van de minister. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en heeft een puur procedureel karakter. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld; de beslissing herbevestigt slechts de vaste jurisprudentielijn dat het motiveringsgebrek in hoger beroep onder de Vreemdelingenwet leidt tot niet-ontvankelijkheid. Voor de appellant heeft dit tot gevolg dat de rechtbankuitspraak definitief in stand blijft. De praktische les voor rechtspraktizijns is dat het instellen van hoger beroep zonder inhoudelijke gronden in vreemdelingenzaken zinloos is en de cliënt niet dient. De zaak heeft een beperkte juridische impact en is enkel relevant als bevestiging van een bekende procedurele eis.