Hoger beroep asielzoeker niet-ontvankelijk, minister betaalt proceskosten
ECLI:NL:RVS:2026:893, Raad van State, 18-02-2026, 202407847/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker (appellant) stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank over het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Hangende het hoger beroep nam de minister alsnog een besluit (afwijzing, 23 januari 2026). De Afdeling beoordeelt of appellant nog belang heeft bij zijn hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij beoordeling ervan nadat de minister alsnog een besluit had genomen. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit van 23 januari 2026 is doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, en de minister is veroordeeld tot betaling van € 467,00 aan proceskosten.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurebeslissing in een individuele asielzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de Afdeling volgt bestaande jurisprudentie over procesbelang en verwijst de inhoudelijke zaak door.
Belangrijkste punten
- 1Na het alsnog nemen van een besluit door de minister vervalt het procesbelang bij hoger beroep over niet tijdig beslissen.
- 2De Afdeling heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de verlening van beslistermijnen via WBV 2022/22 en WBV 2023/3; het Hof heeft deels antwoord gegeven.
- 3De Afdeling wacht nog op einduitspraak in de WBV 2022/22-verwijzingszaak voordat zij bepaalt of zaken over WBV 2023/3 verder worden aangehouden.
- 4De proceskosten komen wel voor vergoeding in aanmerking ondanks niet-ontvankelijkheid, nu de minister te laat heeft beslist.
- 5Het beroep tegen het inhoudelijke afwijzingsbesluit is ter verdere behandeling doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste lijn dat een niet tijdig beslissen-procedure haar procesbelang verliest zodra een inhoudelijk besluit is genomen, en illustreert de lopende procedure over de rechtmatigheid van verlengde beslistermijnen in asielzaken via WBV 2022/22 en WBV 2023/3.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat zijn zaak inhoudelijk nog door de rechtbank beoordeeld zal worden, maar dat hij de kosten van de hogerberoepsprocedure vergoed krijgt; de minister draagt de proceskosten van de vertraging.
Onderwerp-impact
In asielzaken waar de minister structureel te laat beslist en vervolgens alsnog een besluit neemt, blijft de proceskosten-aansprakeijkheid bestaan terwijl het hoger beroep over het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Samenvatting
In deze zaak had een asielzoeker hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank over het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Hangende het hoger beroep nam de minister op 23 januari 2026 alsnog een besluit, waarbij de asielaanvraag werd afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt vast dat appellant hierdoor geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep over het uitblijven van een besluit. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak raakt ook aan de bredere problematiek van verlengde beslistermijnen in asielzaken. De Afdeling heeft eerder prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de vraag of de minister de beslistermijn rechtsgeldig heeft mogen verlengen via WBV 2022/22 en WBV 2023/3. Het Hof heeft op 8 mei 2025 antwoord gegeven op de vragen over WBV 2022/22, maar nog niet op die over WBV 2023/3. De Afdeling geeft aan dat zij na de einduitspraak in de WBV 2022/22-zaak zal bezien of verdere aanhouding van WBV 2023/3-zaken nodig is. Hoewel het hoger beroep niet-ontvankelijk is, kent de Afdeling appellant wel een proceskostenvergoeding toe van € 467,00. De minister heeft immers te laat beslist, en de vertraging heeft de appellant gedwongen juridische bijstand in te schakelen voor de hogerberoepsprocedure. Het beroep tegen het inhoudelijke afwijzingsbesluit van 23 januari 2026 wordt doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, voor verdere inhoudelijke behandeling. De uitkomst is daarmee procedureel van aard en volgt bestaande jurisprudentie over het wegvallen van procesbelang bij niet-tijdig-beslissen-procedures.