ECLI:NL:RVS:2026:5412, Raad van State, 16-09-2026, 202207346/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring gesteld. Appellant heeft de Marokkaanse nationaliteit. De minister heeft hem in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, omdat er volgens hem een significant risico op onderduiken bestaat en omdat er concrete aanwijzingen bestaan dat appellant onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt. Deze aanwijzingen zijn gebaseerd op vier hits in de resultaten van een Eurodac-bevraging. Daaruit blijkt dat appellant in andere lidstaten van de EU geregistreerd staat met een asielverzoek. Meteen voorafgaand aan de inbewaringstelling van 12 december 2022 die aan deze procedure ten grondslag ligt, was appellant strafrechtelijk gedetineerd. Hij heeft tussen 14 september 2022 en 12 december 2022 op strafrechtelijke titels vastgezeten. Uit het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst blijkt dat de politierechter van de rechtbank Rotterdam appellant op 29 september 2022 heeft veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Appellant heeft na de strafrechtelijke detentie tot 9 januari 2023 in vreemdelingenbewaring gezeten en is toen overgedragen aan de Duitse autoriteiten.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.