PAS-vergunning veehouderij deels ingetrokken na Milieudefensie-beroep
ECLI:NL:RVS:2026:1953, Raad van State, 08-04-2026, 202301494/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 20 maart 2020 heeft Het college van gedeputeerde staten van Groningen het verzoek van Milieudefensie om intrekking op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) van de vergunning van 17 november 2017 die is verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb aan [appellant sub 2], afgewezen. Op 20 november 2017 is een vergunning op grond van de Wnb verleend aan [appellant sub 2] gevestigd aan de [locatie] in [appellant sub 2]. De vergunning is verleend op basis van het Programma Aanpak Stikstof (PAS-vergunning) voor het houden van 760 melkkoeien en 490 stuks jongvee en het oprichten en het gebruiken van een nieuwe stal met emissiearm stalsysteem A1.28. Milieudefensie heeft verzocht om gedeeltelijke intrekking op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, omdat volgens haar het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt op het Natura 2000-gebied "Lieftinghsbroek", terwijl niet uitgesloten is dat sprake is van een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van dat gebied.
Kern van de zaak
Milieudefensie verzocht in 2019 om gedeeltelijke intrekking van een PAS-vergunning voor een veehouderij in Groningen vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebied 'Lieftinghsbroek'. De provincie Groningen weigerde intrekking. De rechtbank en vervolgens de Raad van State werden gevraagd hierover te oordelen.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart de hoger beroepen van de vergunninghouder en het college van GS Groningen ongegrond en het incidenteel hoger beroep van Milieudefensie gegrond, waarbij de aangevallen uitspraak gedeeltelijk wordt vernietigd voor zover het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn was afgewezen. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank ten onrechte de schadevergoedingsvordering van Milieudefensie voor de termijnoverschrijding had afgewezen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor de bredere PAS-vergunningsproblematiek en de positie van milieuorganisaties bij intrekkingsverzoeken, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels en is sterk casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: omdat het verzoek om intrekking vóór 1 januari 2024 is ingediend, blijft de oude Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing.
- 2De PAS-vergunning uit 2017 betrof 760 melkkoeien en 490 stuks jongvee met een emissiearme stal op basis van het inmiddels onrechtmatig geachte PAS.
- 3Intrekking op grond van artikel 5.4 lid 2 Wnb vereist dat het de enige passende maatregel is om verslechtering van het Natura 2000-gebied te voorkomen.
- 4Het incidenteel hoger beroep van Milieudefensie slaagt uitsluitend op het punt van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
- 5De hoger beroepen van vergunninghouder en provincie worden ongegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank blijft voor het overige in stand.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toets voor intrekking van een PAS-vergunning op grond van artikel 5.4 lid 2 Wnb: intrekking is slechts mogelijk als het de enige passende maatregel is. Tevens onderstreept de uitspraak dat overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures aanleiding geeft tot schadevergoeding.
Praktische impact
De veehouderij behoudt vooralsnog zijn vergunning, maar de zaak illustreert de aanhoudende onzekerheid voor PAS-vergunninghouders over de houdbaarheid van hun vergunning bij stikstofdepositie op kwetsbare Natura 2000-gebieden. Milieudefensie ontvangt alsnog schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn.
Onderwerp-impact
Voor de agrarische sector bevestigt deze uitspraak dat PAS-vergunningen niet automatisch worden ingetrokken op verzoek van milieuorganisaties, maar dat de passende-maatregelentoets een hoge drempel kent. Dit biedt enige rechtszekerheid aan vergunde veehouders.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2026 betreft een langlopend geschil over de gedeeltelijke intrekking van een PAS-vergunning die in 2017 was verleend aan een veehouderij in Groningen voor het houden van 760 melkkoeien en 490 stuks jongvee. Milieudefensie verzocht in december 2019 om intrekking op grond van artikel 5.4 lid 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb), omdat de veehouderij stikstofdepositie veroorzaakt op het nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Lieftinghsbroek' en verslechtering of significante verstoring niet kon worden uitgesloten. Het college van gedeputeerde staten van Groningen weigerde intrekking, stellende dat dit pas aan de orde is als het de enige passende maatregel is — een drempel die het college in dit geval niet bereikt achtte. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde grotendeels in lijn met die redenering, maar wees ook het verzoek van Milieudefensie om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. In hoger beroep verklaart de Raad van State de hoger beroepen van zowel de vergunninghouder als het college ongegrond, waarmee de eerdere uitspraak op die punten in stand blijft. Het incidenteel hoger beroep van Milieudefensie slaagt echter: de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding was afgewezen. Procedureel is van belang dat het overgangsrecht van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet meebrengt dat de oude Wnb van toepassing blijft, nu het intrekkingsverzoek vóór 1 januari 2024 is ingediend. De uitspraak bevestigt de hoge drempel voor intrekking van PAS-vergunningen en kent Milieudefensie alsnog schadevergoeding toe voor de lange procesduur.