Hoger beroep vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens motiveringsgebrek
ECLI:NL:RVS:2026:15, Raad van State, 07-01-2026, BRS.25.001014
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een appellant in een vreemdelingenzaak stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hogerberoepschrift werd echter niet uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. De zaak betreft een geschil op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat appellant niet heeft toegelicht waarom de rechtbankuitspraak onjuist is, wat op grond van artikel 85 Vw 2000 een vereiste is voor ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van de bekende ontvankelijkheidseis van artikel 85 Vw 2000 en stelt geen nieuwe rechtsregels. De uitkomst is procedureel van aard en heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 85 Vw 2000 vereist dat een hogerberoepschrift gronden bevat die uitleggen waarom de aangevochten uitspraak onjuist is
- 2Bij ontbreken van inhoudelijke grieven tegen de rechtbankuitspraak kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven
- 3Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke beoordeling
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
- 5De zaak is behandeld door een enkelvoudige kamer van de Raad van State
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de vaste lijn dat artikel 85 Vw 2000 een strikte motiveringseis stelt aan hogerberoepschriften in vreemdelingenzaken, bij gebreke waarvan niet-ontvankelijkheid volgt. Er wordt geen nieuw recht gevormd.
Praktische impact
Vreemdelingen en hun advocaten worden herinnerd aan de verplichting om in het hogerberoepschrift concreet uiteen te zetten waarom de rechtbankuitspraak onjuist is; het enkel instellen van hoger beroep zonder motivering is onvoldoende.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken leidt het ontbreken van inhoudelijke gronden in het hogerberoepschrift direct tot niet-ontvankelijkheid, wat de toegang tot de hogerberoepsrechter in dit rechtsgebied effectief beperkt.
Samenvatting
In deze zaak stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De appellant werd bijgestaan door een advocaat in Dordrecht. De centrale juridische vraag was of het hoger beroep ontvankelijk was, gelet op de vereisten van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Artikel 85 Vw 2000 stelt als ontvankelijkheidseis dat een hogerberoepschrift één of meer grieven moet bevatten, waarbij de indiener uitlegt waarom hij meent dat de aangevochten rechterlijke uitspraak onjuist is. Zonder een dergelijke motivering is de Afdeling niet in staat een inhoudelijk oordeel te vormen over de aangevoerde bezwaren. In het onderhavige geval had appellant in zijn hogerberoepschrift nagelaten uiteen te zetten op welke punten en om welke redenen de uitspraak van de rechtbank niet juist zou zijn. De Afdeling stelde vast dat hiermee niet was voldaan aan de motiveringsverplichting van artikel 85 Vw 2000. Nu geen inhoudelijke grieven waren geformuleerd, kon de Afdeling het hoger beroep niet inhoudelijk beoordelen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk. Aangezien appellant in het ongelijk werd gesteld op procedurele gronden en er geen inhoudelijke behandeling plaatsvond, werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Deze uitspraak is een routinematige bevestiging van een bekende en vaste procedurele lijn in het vreemdelingenrecht. Zij heeft geen richtinggevende werking, maar onderstreept het belang voor rechtzoekenden en hun advocaten om hogerberoepschriften in vreemdelingenzaken steeds voorzien van concrete, inhoudelijke gronden in te dienen.