Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:12, Raad van State, 07-01-2026, BRS.25.002405
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 25 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.E. Martinez Linnemann, stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingrechtelijke zaak. De zaak betrof een beslissing van de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en past de verkorte motivering toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen bevat.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een standaard verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder inhoudelijke rechtsvragen; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de precedentwaarde is nihil.
Belangrijkste punten
- 1Verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overweging 5.1) volledig over
- 3Het hogerberoepschrift bevat geen vragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin
- 4De minister is vrijgesteld van proceskostenvergoeding
- 5Uitspraak gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak heeft beperkte juridische impact omdat de Afdeling de verkorte motiveringsroute van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toepast, wat betekent dat geen nieuwe rechtsvragen worden beantwoord en geen precedentwerking ontstaat.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent deze uitspraak dat het hoger beroep definitief is afgewezen en de beslissing van de minister in stand blijft; verdere rechtsmiddelen zijn niet beschikbaar.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de gangbare toepassing van de versnelde afdoeningsprocedure, waardoor de werkdruk bij de Afdeling beheersbaar blijft maar individuele rechtsbescherming beperkt wordt gemotiveerd.
Samenvatting
In deze uitspraak van 7 januari 2026 bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een eerdere uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingrechtelijke zaak. De vreemdeling, bijgestaan door mr. A.E. Martinez Linnemann, had hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank over een beslissing van de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De inhoud van de onderliggende zaak is uit de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de rechtbank had in overweging 5.1 van haar uitspraak een oordeel gegeven dat de Afdeling volledig overneemt. De centrale juridische vraag in hoger beroep was of de rechtbank tot een juist oordeel was gekomen. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend en verklaart het hoger beroep ongegrond. Daarbij past de Afdeling de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe. Op grond van deze bepaling hoeft de Afdeling haar oordeel niet nader te motiveren wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Aan dat criterium is in dit geval voldaan, zodat de Afdeling volstaat met de mededeling dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, hetgeen past bij de routineuze aard van de zaak. De praktische betekenis van deze uitspraak is beperkt tot de betrokken vreemdeling, voor wie alle rechtsmiddelen zijn uitgeput. Er ontstaat geen nieuwe jurisprudentie en de uitspraak heeft geen bredere precedentwaarde binnen het vreemdelingenrecht.