JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2025:6386Laag18/100

Schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn omgevingsvergunning

ECLI:NL:RVS:2025:6386, Raad van State, 24-12-2025, 202400289/1/R3

Raad van StateUitspraak: 24 december 2025Publicatie: 24 december 2025
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202400289/1/R3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Schadevergoeding
Overheid
Vergunningen
Redelijke Termijn
Omgevingsvergunning
Wabo Overgangsrecht
Schadevergoeding
Welstandsadvies

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 4 december 2020 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een berging met overkapping van ongeveer 6 m breed, ongeveer 2,4 m diep en ongeveer 2,2 m hoog op 0,5 m afstand van de erfgrens, op het perceel [locatie] in Rotterdam. [appellante] woont op het perceel. Op 6 juli 2020 heeft zij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een grijze berging met overkapping van 6,3 m breed, 3,36 m diep en 2,4 m hoog op 0,3 meter afstand van de erfgrens. Op 19 augustus 2020 heeft de commissie voor welstand en monumenten Rotterdam negatief geadviseerd over de aanvraag. Naar aanleiding daarvan heeft [appellante] haar aanvraag gewijzigd, waarbij onder andere de afstand tot de erfgrens is gewijzigd naar 0,5 m. Op 19 november 2020 heeft de commissie wederom negatief geadviseerd over de aanvraag. Bij besluit van 4 december 2020 heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd. In bezwaar heeft de commissie op 28 april 2021 alsnog positief geadviseerd over de gewijzigde aanvraag.

Kern van de zaak

Een Rotterdamse bewoonster vroeg in 2020 een omgevingsvergunning aan voor het legaliseren van een berging op haar perceel. Na een langdurige procedure met aanvankelijke weigering, bezwaar en uiteindelijke verlening van de vergunning, wendde zij zich tot de Raad van State met een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding toe. De Staat der Nederlanden wordt veroordeeld tot betaling van € 727,30 en het college van B&W van Rotterdam tot € 272,70, omdat de redelijke termijn voor beslechting van het geschil is overschreden.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige toepassing van vaste jurisprudentie over redelijke termijn en overgangsrecht, zonder nieuwe rechtsvragen; de financiële belangen zijn beperkt en de uitkomst is casuïstisch.

Belangrijkste punten

  • 1Op de aanvraag uit 2020 blijft het oude recht (Wabo) van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2Het welstandsadvies was aanvankelijk tweemaal negatief, maar in bezwaar werd alsnog positief geadviseerd en de vergunning verleend.
  • 3De redelijke termijn voor geschilbeslechting is overschreden, wat recht geeft op immateriële schadevergoeding.
  • 4De schadevergoeding wordt verdeeld tussen de Staat (rechterlijke fase) en het bestuursorgaan (bestuurlijke fase) naar rato van de duur van de onderscheiden fasen.
  • 5Proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding worden eveneens vergoed door de Staat.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past de vaste jurisprudentie toe over verdeling van schadevergoeding wegens termijnoverschrijding tussen de Staat en het bestuursorgaan, en bevestigt de toepasselijkheid van het Wabo-overgangsrecht bij aanvragen ingediend vóór 1 januari 2024.

Praktische impact

De appellante ontvangt in totaal € 1.000 schadevergoeding plus proceskosten als compensatie voor de lange duur van de procedure over haar omgevingsvergunning voor een berging.

Onderwerp-impact

In omgevingsvergunningsprocedures die zijn gestart vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden de oude Wabo-regels, en langdurige procedures kunnen leiden tot schadevergoedingsplicht voor de overheid.

Samenvatting

Deze zaak betreft een bewoonster uit Rotterdam die op 6 juli 2020 een omgevingsvergunning aanvroeg voor het legaliseren van een berging met overkapping op haar perceel. De aanvraag stuitte aanvankelijk op twee negatieve welstandsadviezen, waarna het college de vergunning weigerde. In bezwaar keerde het tij: de welstandscommissie adviseerde alsnog positief en het college verleende de vergunning, uiteindelijk voor een donkergroene berging van 6,3 m breed, 3,36 m diep en 2,4 m hoog op 0,5 m afstand van de erfgrens. De zaak belandde toch bij de rechter, waarbij tevens een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd ingediend. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt voorop dat het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet meebrengt dat de oude Wabo van toepassing blijft, nu de aanvraag vóór 1 januari 2024 was ingediend. Ten aanzien van de redelijke termijn oordeelt de Afdeling dat deze is overschreden. Conform vaste jurisprudentie wordt de schadevergoeding van in totaal € 1.000 verdeeld tussen de Staat der Nederlanden (€ 727,30, toe te rekenen aan de rechterlijke fase) en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (€ 272,70, toe te rekenen aan de bestuurlijke fase). Daarnaast worden de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding ten laste van de Staat gebracht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De uitspraak is een standaardtoepassing van de bestaande jurisprudentie over immateriële schadevergoeding bij termijnoverschrijding in bestuursrechtelijke procedures en heeft geen bijzondere precedentwerking, maar illustreert dat ook relatief eenvoudige omgevingsvergunningsprocedures kunnen uitlopen op langdurige geschillen met financiële consequenties voor de overheid.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1288Hoog
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1288, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01208

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
68/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied